Zijspan Techniek
1. Beknopte Handleiding Zijspan Afstellen
Hoe stel ik
een zijspan aan de motor af? Waar moet ik op letten als ik zelf een zijspan
aan mijn motor bouw? Onderstaande gegevens zijn van Arie en uit een onbekend
tijdschrift, met enkele aanvullingen van de redactie.
1.1. Spoorbreedte
In principe geldt: hoe smaller hoe
beter, alleen bij zeer lichte zijspannen moet dit niet extreem doorgevoerd
worden, omdat de zaak dan te snel omhoog komt. Probeer tussen de 100 en 110 cm
uit te komen, gemeten vanuit het midden van de twee getrokken sporen.
De spoorbreedte kan ook behoorlijk groter zijn.
De vroegere bekende (en zeer goed sturende) LAK
sidecars, die speciaal voor Harley-Davidson
geconstrueerd zijn, hanteren een spoorbreedte van 137 en 127 cm.
1.2. Voorloop
Vervolgens moet de voorloop van het
zijspanwiel ingesteld worden. Dit is de maat hoeveel het zijspanwiel vóór
het achterwiel staat. Als vuistregel wordt aangehouden dat het gewicht van de
motor (in kg) gelijk is aan de voorloop van het zijspanwiel in mm. De
instelling van deze maat is alleen mogelijk door het hele zijspan verder naar
voren of naar achteren te monteren. De vroegere firma LAK
sidecars hanteert een voorloop van 210 en
180 mm (voor Harley-Davidson motoren).
Theoretisch zou het beter zijn voor de stuureigenschappen om het zijspanwiel
naast of vrijwel naast het achterwiel te plaatsen. In verband met de
gewichtsverdeling kan dat meestal niet; de combinatie zou te snel over de
diagonaal voorwiel/zijspanwiel willen kantelen. Hieruit kan wel geconcludeerd
worden dat staartlastige spannen het zijspanwiel best wat dichter naast het
achterwiel kunnen hebben, maar het is zeker niet wenselijk om hiernaar te
steven.
1.3. Toespoor
Heel belangrijk is de mate van toespoor.
Leg latten tegen de wielen (zorg dat het stuur recht staat) en meet voor het
voorwiel en achter het achterwiel.de afstand. De maat vóór moet kleiner
zijn, het zijspan moet als het ware linksaf willen.
Hoeveel kleiner? Hierover zijn de meningen verdeeld en naar ons idee nog niet
100% uitgezocht. Het is afhankelijk van de gewenste snelheid, van de vlucht
van de motor en de soort zijspanband. Verreweg de meesten geven voor het
toespoor 15 mm aan. Je kunt echter aannemen dat dat een uit het grijze
verleden stammende richtlijn is, zonder duidelijke motivatie. Moturist (fabrikant zijspannen) houdt als richtlijn aan: 1/5 (éénvijfde) van de maat
van de voorloop. Bij een motor van 250 kg wordt dat dus 1/5 van 150 mm, en dat
is 30 mm, nogal wat meer dan de 15 mm dus (het maximum is 60 mm, dit in
verband met bandenslijtage). De vroegere firma LAK
sidecars hanteerde een toespoor van 30 en 20
mm.
Een klein toespoor maakt het noodzakelijk om bij flinke snelheid veel 'Vlucht'
te geven; de motor moet dan dus ver linksom hangen. Dit is echter niet prettig
voor korte rechter bochten.
De ervaring van de laatste tijd heeft ons geleerd dat zowel de afstelling van
de LAK sidecars (30 en 20 mm), als de Moturist (50 mm) en de EML
sidecars (15 mm) uitstekend
voldoet, zonder dat de EML zijspan overdreven veel vlucht heeft. Het verschil nu zit
'm vermoedelijk in de banden. Zijn dit radiaal-autobanden, dan is de
spoorkracht in verhouding groter en kan dus volstaan worden met minder
toespoor (EML). Zijn het diagonaal banden (alle motorbanden, sommige
autobanden), dan is de spoorkracht kleiner en moet een groter toespoor
ingesteld worden om het naar rechts trekken van het stuur te compenseren.
Vooral voor snelle spannen (en er zijn er die boven de 180 km/h komen!) is het
zaak daarbij tevens op het liften van de bak te letten. Als de bak deze
neiging mocht hebben, dan wordt de druk op het zijspanwiel minder, dus ook de
spoorkracht naar links, en dus wordt het rijden dan uiterst vermoeiend.
Opmerking:
De naloop van een zijspan wordt meestal verkleind om de stuurkrachten voor de bestuurder enigszins acceptabel te maken. Ed Pols gebruikt hiervoor de "Ed Pols platen"(offset vergroting, raking), maar veel anderen gebruiken ook de zijspan voorvorken met swing-arm. De naloop wordt hierdoor ongeveer 60-80 mm kleiner en ik denk dat het doel in de buurt van 60 - 80 mm is. De 1/5 komt dan meer in de buurt van de 15 mm.
1.4. Vlucht
De vlucht van de motor (het naar links
hellen) is verder afhankelijk van de omstandigheden. Begin maar met ongeveer
een halve graad, dat schijnt overeen te komen met een halve centimeter vanaf
de vorkplaat. Dit is eenvoudig met een loodlijntje te controleren, en als je
er wat gevoel voor hebt kan het ook op het oog. De juiste instelling kan
pas proefondervindelijk vastgesteld worden, is afhankelijk van de rijtechniek
en belasting en moet dus soms bijgesteld worden. Wordt de vlucht meer dan 1 cm
(vanaf kroonplaat tot de grond), dan is het beter om eerst meer toespoor in te
stellen.
Vaak kom je nog afbeeldingen tegen waarbij ook aan het zijspanwiel vlucht
gegeven wordt (naar rechts hellend). Vergeet dit maar; zelfs al zou dit
instelbaar zijn, dan toch gewoon het wiel rechtop houden.
1.5. Tot slot
Tot slot van dit stukje over de
afstelling: de gegeven maten zijn toermaten, bedoeld voor gebruik op snelwegen
en toeristische ritten, met gewoon in de bak zittende passagier. Voor een
grotere behendigheid, maar dan is een meeturnende passagier nodig, kunnen alle
maten verkleind worden. Dus als je wilt stunten als de Amsterdamse politie
tijdens een opstootje, dan kleinere maten aanhouden.
2. Registratie
Let op! Een zijspan moet geregistreerd zijn in het kentekenregister van de RDW.
Motorfietsen met een zijspan moeten in het kentekenregister de voertuigcategorie L4e hebben en motorfietsen zonder zijspan voertuigcategorie L3e.
In verband met Europese richtlijnen is dit verplicht.
Per 14 oktober 2025 geldt dat alle zijspannen na die datum zijn aangebouwd, moeten worden gekeurd in Lelystad, á raison van 1093 euro ter verkrijgen van het L4E kenteken. Het rijden zonder dit kenteken is een overtreding en zorgt niet voor een dekking door de verzekering.
Zie voor de procedure en de registratie de website van de RDW. Je ontvangt na wijziging een nieuw kenteken (een kentekencard).
3. Mag je solo rijden met een motor die geregistreerd is als zijspan-combinatie?
Zie onderstaaand artikel, (CTW) Bunnik, 17 december 2025
Overgangsregeling motoren met afneembaar zijspan vervallen
Per 15 oktober 2025 moeten motorfietseigenaren die een zijspan aan de motor willen koppelen de voertuigcategorie door middel van een keuring aan laten passen. De overgangsregeling, die sinds 2009 van kracht was, is vervallen. Voor de FEHAC en motorfietseigenaren kwam het plotselinge einde van deze overgangsregeling als een verrassing. Bovendien is de subcategorie “met afneembaar zijspan” ook komen te vervallen.
Meerdere voertuigeigenaren zijn inmiddels voor een voldongen feit komen te staan. Bij klassieke motoren is het zeker geen uitzondering dat af en toe een zijspan aan een motor wordt gekoppeld. De FEHAC is daarom met de RDW in overleg hoe met deze situatie om te gaan en een oplossing te vinden. Duidelijk moet worden welke keuringseisen aan een klassieke motor met zijspan worden gesteld.
De overgangsregeling is destijds ingevoerd omdat bij de RDW vóór 30 april 2009 niet bekend was of een voor die datum al gekentekende motor al dan niet een zijspan had. De overgangsregeling bood de mogelijkheid om voor motoren van vóór die datum alsnog een L4e-registratie te krijgen, zonder keuring. Motoreigenaren konden hierdoor zonder kosten en zonder een keuring de voertuigcategorie aan laten passen.
In de praktijk bleek dat aanvragen voor een wijziging steeds vaker betrekking hadden op recent gewijzigde voertuigen, en daarvoor was de overgangsregeling nooit bedoeld. Het verlengen van de overgangsregeling zou neerkomen op het oprekken van een wetswijziging, en dat is juridisch niet juist.
Sinds 2009 is de zogenoemde Regeling Voertuigen ingevoerd waarbij voor motorfietsen nog uitsluitend de voertuigcategorieën L3e en L4e van toepassing waren. L3e voor solo-motoren en L4e voor motoren met zijspan. Na de invoering van deze Regeling Voertuigen is de RDW gestart met het registreren op basis van de feitelijke voertuigcategorie. Dus wie bij de RDW kwam dan wel komt voor een kenteken voor een motor met zijspan kreeg en krijgt de voertuigcategorie L4e op de kentekenkaart. Wie met een solo-motor kwam dan wel komt krijgt L3e op de kentekenkaart. Een L3e registratie met een af en toe aangekoppeld zijspan is niet meer mogelijk.
De FEHAC heeft dit inmiddels bij de RDW aangekaart. De oplossing is dat bij de voertuigcategorie L4e in het kentekenregister aangetekend kan worden dat het een afneembaar zijspan betreft. Dus wie af en toe een zijspan aan de motor wil koppelen, zal toch eerst de voertuigcategorie van L3e naar L4e moeten laten wijzigen en ontkomt dus niet aan de keuring. Deze keuring valt onder Hoofdstuk 6 van de Regeling Voertuigen. De motoreigenaar moet dan aantonen dat de motor met zijspan voldoet aan alle relevante eisen zoals beschreven in Hoofdstuk 3 van de Regeling Voertuigen.
Let op:
Regels rondom registratie en zijspan-gebruik kunnen technisch en administratief wat complex zijn. Bij twijfel kun je contact opnemen met de RDW of je verzekeraar om te checken of alles administratief klopt voor jouw specifieke situatie.

|