Zijspan Techniek

 

1. Uitgebreide Beschrijvingzijspan

Een uitgebreide beschrijving over zijspanrijden vind je in de publicatie van A. Riecker onder: http://docplayer.nl/13664184-Inhoudsopgave-zijspanrijden.html. Hier zijn de volgende onderwerpen van het zijspanrijden behandeld:

Deel 1 Zijspantechniek en Theorie
Deel 2 Rijtechniek
Deel 3 Wettelijke Eisen
Deel 4 Handleiding bij Zijspanmontage

zijspan

2. Beknopte Handleiding Zijspan Afstellen

Hoe stel ik een zijspan aan de motor af? Waar moet ik op letten als ik zelf een zijspan aan mijn motor bouw? Onderstaande gegevens zijn van Arie en uit een onbekend tijdschrift, met enkele aanvullingen van de redactie.

2.1. Spoorbreedte

In principe geldt: hoe smaller hoe beter, alleen bij zeer lichte zijspannen moet dit niet extreem doorgevoerd worden, omdat de zaak dan te snel omhoog komt. Probeer tussen de 100 en 110 cm uit te komen, gemeten vanuit het midden van de twee getrokken sporen.
De spoorbreedte kan ook behoorlijk groter zijn. De bekende (en zeer goed sturende) LAK sidecars, die speciaal voor Harley-Davidson geconstrueerd zijn, hanteren een spoorbreedte van 137 en 127 cm.

2.2. Voorloop

Vervolgens moet de voorloop van het zijspanwiel ingesteld worden. Dit is de maat hoeveel het zijspanwiel vóór het achterwiel staat. Als vuistregel wordt aangehouden dat het gewicht van de motor (in kg) gelijk is aan de voorloop van het zijspanwiel in mm. De instelling van deze maat is alleen mogelijk door het hele zijspan verder naar voren of naar achteren te monteren. De firma LAK sidecars hanteert een voorloop van 210 en 180 mm (voor Harley-Davidson motoren).
Theoretisch zou het beter zijn voor de stuureigenschappen om het zijspanwiel naast of vrijwel naast het achterwiel te plaatsen. In verband met de gewichtsverdeling kan dat meestal niet; de combinatie zou te snel over de diagonaal voorwiel/zijspanwiel willen kantelen. Hieruit kan wel geconcludeerd worden dat staartlastige spannen het zijspanwiel best wat dichter naast het achterwiel kunnen hebben, maar het is zeker niet wenselijk om hiernaar te steven.

2.3. Toespoorschema

Heel belangrijk is de mate van toespoor. Leg latten tegen de wielen (zorg dat het stuur recht staat) en meet voor het voorwiel en achter het achterwiel.de afstand. De maat vóór moet kleiner zijn, het zijspan moet als het ware linksaf willen.
Hoeveel kleiner? Hierover zijn de meningen verdeeld en naar ons idee nog niet 100% uitgezocht. Het is afhankelijk van de gewenste snelheid, van de vlucht van de motor en de soort zijspanband. Verreweg de meesten geven voor het toespoor 15 mm aan. Je kunt echter aannemen dat dat een uit het grijze verleden stammende richtlijn is, zonder duidelijke motivatie. Moturist (fabrikant zijspannen) houdt als richtlijn aan: 1/5 (éénvijfde) van de maat van de voorloop. Bij een motor van 250 kg wordt dat dus 1/5 van 150 mm, en dat is 50 mm, nogal wat meer dan de 15 mm dus (het maximum is 60 mm, dit in verband met bandenslijtage). De firma LAK sidecars hanteert een toespoor van 30 en 20 mm.
Een klein toespoor maakt het noodzakelijk om bij flinke snelheid veel 'Vlucht' te geven; de motor moet dan dus ver linksom hangen. Dit is echter niet prettig voor korte rechter bochten.
De ervaring van de laatste tijd heeft ons geleerd dat zowel de afstelling van de LAK sidecars (30 en 20 mm), als de Moturist (50 mm) en de EML sidecars (15 mm) uitstekend voldoet, zonder dat de EML zijspan overdreven veel vlucht heeft. Het verschil nu zit 'm vermoedelijk in de banden. Zijn dit radiaal-autobanden, dan is de spoorkracht in verhouding groter en kan dus volstaan worden met minder toespoor (EML). Zijn het diagonaal banden (alle motorbanden, sommige autobanden), dan is de spoorkracht kleiner en moet een groter toespoor ingesteld worden om het naar rechts trekken van het stuur te compenseren. Vooral voor snelle spannen (en er zijn er die boven de 180 km/h komen!) is het zaak daarbij tevens op het liften van de bak te letten. Als de bak deze neiging mocht hebben, dan wordt de druk op het zijspanwiel minder, dus ook de spoorkracht naar links, en dus wordt het rijden dan uiterst vermoeiend.

2.4. Vlucht

De vlucht van de motor (het naar links hellen) is verder afhankelijk van de omstandigheden. Begin maar met ongeveer een halve graad, dat schijnt overeen te komen met een halve centimeter vanaf de vorkplaat. Dit is eenvoudig met een loodlijntje te controleren, en als je er wat gevoel voor hebt kan het ook op het oog. De juiste instelling kan pas proefondervindelijk vastgesteld worden, is afhankelijk van de rijtechniek en belasting en moet dus soms bijgesteld worden. Wordt de vlucht meer dan 1 cm (vanaf kroonplaat tot de grond), dan is het beter om eerst meer toespoor in te stellen.
Vaak kom je nog afbeeldingen tegen waarbij ook aan het zijspanwiel vlucht gegeven wordt (naar rechts hellend). Vergeet dit maar; zelfs al zou dit instelbaar zijn, dan toch gewoon het wiel rechtop houden.

2.5. Tot slot

Tot slot van dit stukje over de afstelling: de gegeven maten zijn toermaten, bedoeld voor gebruik op snelwegen en toeristische ritten, met gewoon in de bak zittende passagier. Voor een grotere behendigheid, maar dan is een meeturnende passagier nodig, kunnen alle maten verkleind worden. Dus als je wilt stunten als de Amsterdamse politie tijdens een opstootje, dan kleinere maten aanhouden.

 

3. Registratie

Let op! Een zijspan moet geregistreerd zijn in het kentekenregister van de RDW.

Motorfietsen met een zijspan horen in het kentekenregister de voertuigcategorie L4e te hebben en motorfietsen zonder zijspan voertuigcategorie L3e. In verband met Europese richtlijnen is dit verplicht.

Zie voor de procedure en de registratie de website van de RDW. Je ontvangt na wijziging een nieuw kenteken (een kentekencard).

service