Technisch Handboek Harley-Davidson 
1937

350/500 cc

één cylnder

 

 

 

750 cc

model: 

WLD - WL - W

 

1937

1000 cc

model

EL - E

 

1937

1200/1300 cc

model

UL - U
ULH - UH

74 
80 

1937

Supplement op de laatst verschenen Handleiding
1940

Voorwoord:

Oorspronkelijk is het Technische Handboek 1937 uitgegeven door de toenmalige importeur 'De Delftsche Motorhandel'.  Het boek beschrijft de Nederlandse Harley-Davidsons in het jaar 1937. De inhoud is grotendeels nog steeds van toepassing op de oudjes waarop wij rijden.
Handboektechnisch is het een zeer slecht boek. Toch heb ik aan de langdradig beschreven handelingen, dubbele informatie, onlogische indeling, het voor ons vreemde taalgebruik en inconsequent gebruik van den 'n', praktisch niets veranderd.  De oorspronkelijke sfeer blijft zo beter bewaard. Ook een dergelijk slecht opgezet handboek maakt deel uit van de geschiedenis van Harley-Davidson in Nederland
Het origineel is op een typmachine gemaakt. De figuren zaten oorspronkelijk achter in het boekwerkje. Nu zijn de figuren bij de bijbehorende tekst geplaatst. Om het geheel wat overzichtelijker te maken is een nummering aan de hoofdstukken toegekend en is een inhoudsopgave toegevoegd. 

Herdrukken

Dat het handboek veel gebruikt was, blijkt uit het feit dat er zeker een 5e druk is uitgegeven. Deze 5e druk is gezet, waardoor veel van de typfouten en slechte aanslagen van de schrijfmachine, verdwenen zijn. Wat echter ook verdwenen is in deze 5e druk is den ouderwetsen 'n'.  Toch geef ik de voorkeur het oorspronkelijke taalgebruik vanwege de sfeer die daarvan uitgaat. Daarom is de oorspronkelijke versie van de typmachine onveranderd gehandhaafd.

Supplement

Aan de 5e druk is een supplement toegevoegd voor modellen van 1940. Dit supplement is vanwege de technische inhoud aan dit handboek toegevoegd. 
De motoren veranderden nauwelijks in die tijd, waardoor dit boek met supplement grotendeels van toepassing is voor de modellen tot 1952.

Inhoudsopgave:

Technisch Handboek 1937

1. Beschrijving

- Afb. 1 Beschrijving linkerzijde, 750 cc

- Afb. 2 Beschrijving rechterzijde, 750 cc

- Afb. 3 Beschrijving linkerzijde, 1000 cc

- Afb. 4 Beschrijving rechterzijde, 1000 cc

- Afb. 5 Beschrijving linkerzijde, modellen 1200 en 1300 cc

- Afb. 6 Beschrijving rechterzijde modellen 1200 en 1300 cc

2. Modellen en Compressie verhoudingen.

750 cc, model 1937

1000 cc, model 1937

1200/1300 cc, model 1937

3. Enkele gegevens

4. Tandwielverhoudingen

- Tandwielverhoudingen 1200 en 1300 cc, model 1937

- Tandwielverhoudingen 1000 cc

- Overige Tandwielverhoudingen

- Hoe de tandwielverhouding vast te stellen

5. Bandendruk

6. Aanslaan van de 2 cylinder motor

7. Stoppen van den motor

8. Inrijden van een nieuwen motor

9. De carburateur

10. Aanslaan van den één-cylinder motor

11. Wenken in verband met het rijden op hoge snelheden

12. Smering modellen van vóór 1937

13. Gebruik van de hand-oliepomp

14. Afstelling klepstoters (750, 1200 en 1300 cc)

15. De onderbreker en het merkteken op het vliegwiel (750, 1200, 1300 cc)

16. Regeling van den onderdruk in het carter (750, 1200, 1300 cc)

17. Afstelling der stoters (1000 cc)

18. Smeerregeling kleppen (1000 cc)

19. De onderbreker (1000 cc)

20. Distributietandwielen met hun merktekens (1000 cc)

21. Afstellen der klepstoters, modellen van vóór 1937

22. Het op tijd stellen van kleppen en ontsteking, modellen van vóór 1937

- Op tijd stellen der kleppen bij een 1 cylinder model
- Op tijd stellen der ontsteking bij een 1 cylinder model
- Op tijd stellen der kleppen bij een 2 cylinder model
- Op tijd stellen der ontsteking bij een 2 cylinder model
- Op tijd stellen der ontsteking, zonder gebruik te maken van het merkteken op den onderbreker (1200 cc model)
- Op tijd stellen der ontsteking, zonder gebruik te maken van het merkteken op den onderbreker (750 cc model)

23. Onderhoud kettingen (alle modellen)

- Afstelling voorketting
- Afstelling achterketting
- Reparatie van een ketting

24. De frictie

- Afstelling commando organen der frictie (750 cc model)
- Regeling van de spanning der frictieveren (750 cc model)
- Uit elkaar nemen der frictie
- Afstelling commando organen frictie, 1000, 1200, 1300 cc model
- Regeling van de spanning der frictieveren, 1000, 1200 en 1300 cc model

25. Wielen 1000, 1200 en 1300 cc model

26. Uitnemen van het achterwiel

27. Uitnemen van het voorwiel (1000, 1200 en 1300 cc model)

28. Afstelling achterwielnaaf

29. Uitnemen van het voorwiel (750 cc model)

30. Afstelling voorwielnaaf (750 cc model)

31. Wielen modellen van vóór 1937

31.1. De wielnaven

31.2. Demontage en montage der wielen (1200 cc)

31.3. Afstelling der lagers van het voorwiel (350, 500 en 750 cc)

31.4. Afstelling der lagers van het achterwiel (350, 500 en 750 cc t/m type 1934)

31.5. Uitnemen der wielen (350, 750 cc)

32. Electrische installatie  (750, 1000, 1200, 1300 cc)

32.1. Nazien of vervanging van dynamo borstels (750, 1000, 1200 en 1300 cc)
32.2. Onderhoud accu
         -  Toevoeging van gedestilleerd water in de accu
         - De normalen laadstroom-spanning voor de accu is 2 Amp.
32.3. Laad intensiteit van de dynamo
32.4. Smering van het collector lager
32.5. Afstelling van de koplamp
32.6. Schakelschema

33. Het demonteren van de zadelpen

34. Stuur en bedieningsorganen

35. Smeersysteem 1000 cc model

36. Smeersysteem 750, 1200 en 1300 cc model

37. Afphabetische beschrijving smeerkaart

Instructieboek Harley-Davidson Motorrijwielen 
alle modellen (5e druk)

Supplement op de laatst verschenen Handleiding

S 1. Smeer regeling der kleppen en tuimelaars (1000 cc)

S 2. Signaallampjes op het dashboardje

S 3. Schema van de aansluiting der draden

S 4. Schakelschema 1939-1940

S 5. Principeschema

S 6. Tandwielverhoudingen Servicar

S 7. Bandendruk (750 cc)

S 8. Bandendruk (1000, 1200 en 1300 cc)

S 9. Uit elkaar genomen koppeling (1000, 1200, 1300 cc)

 

Technisch Handboek 1937

1. Beschrijving

- Afb. 1 Beschrijving linkerzijde, 750 cc

1. Benzine-afsluitkraantje. Zie beschrijving no. 2.

2. Benzine-tankdop. Inhoud ruim 11 L.
Het afsluitkraantje onderaan de tank is open, wanneer het handeltje naar beneden of boven in verticalen stand staat. Staat het verticaal naar beneden, dan wordt de tank afgetapt, doch blijft er nog een reservevoorraad over van ongeveer 2 L; om deze te kunnen aanspreken, wordt het kraanhandeltje naar boven in de verticalen positie geplaatst. Het kraantje is gesloten met het handeltje in horizontalen stand. Men gebruike Ethyl- of andere 'Anti-knock' benzine.
Waarschuwing: De olie- en bezinetankdoppen zijn niet verwisselbaar. De (kortere) olietankdop, welke niet geventileerd wordt, plaatse men dus niet op de benzinetank.

3. Versnellingshandle.
De standen zijn gemerkt. Bij overslaan van den motor moet dit op neutral staan. Alvorens te schakelen, frictie geheel uitschakelen.

4. Schokbreker (geen standaard-uitrusting).
Brengt wrijving teweeg en beteugelt de werking van de vork en voorkomt zodoende bij hoge snelheden opspringen van het voorgedeelte. Voor normalen dienst losdraaien; aandraaien (naar rechts) tot de gewenste wrijving is verkregen, als met hoge snelheden wordt gereden.

5. Manette voorwielrem. Zie no. 15 beschrijving.

6. Claxondrukker

7. Ontstekings-handgreep.
Binnenwaarts te draaien voor voorontsteking; naar buiten te draaien om ontsteking te verlaten. Geheel ingedraaid (volle voorontsteking) is de normale rijpositie. Wanneer de motor zwaar moet trekken, de ontsteking een weinig verlaten, om kloppen te voorkomen. Sommige motoren slaan het beste aan met een weinig verlate ontsteking.

8. Schakelaar voor licht en ontsteking en schakelaar-slot.
Om uit te schakelen plaatst men den schakelaar geheel naar voren. Men draait naar links voor parkeren met licht (zie schakelschema betreffende bevestiging vóór parkeerlampen). Plaats den schakelaar in eersten stand rechts alleen voor ontsteking - in tweeden stand rechts voor ontsteking en rij-licht. Denk eraan, dat het aansteken van de koplamp bij stilstaanden motor ook de ontsteking inschakelt. De schakelaar kan alleen in de posities Off en Park opgesloten worden.

9. Schakelaar snelheidsmeterlicht.

10. Choke-handle carburateur.
Staat dit benedewaarts, dan is de choke open; staat het in den bovenwaartsen stand, dan is zij gesloten. Zie 'Aanslaan van den motor'. Wanneer de carburateur met een luchtfilter is uitgerust, is de werking van de choke tegenovergesteld.

11. Lucht-inlaatbuis carburateur.

12. Bougies.
Houd dezen schoon en houd den afstand tussen de punten afgesteld op 025-030. Niet uit elkaar nemen voor schoonmaken. Maak de bougies schoon met schuurpapier. Wanneer een motor, na de inrij-periodes te zijn gepasseerd, hoge snelheden moet rijden, zijn koudere bougies dan die van de normalen uitrusting waarschijnlijk nodig. Deze noodzakelijkheid kondigt zich aan door oververhitting, krachtverlies, zwaar kloppen en geblakerde bougie- porceleintjes. Verwaarlozing dezer verschijnselen kan schade door oververhitting tot gevolg hebben. Bij vervanging van bougies wende men zich bij voorkeur tot den H-D agent, daar hij U het juiste type bougie, dat U nodig hebt, kan leveren. Waag Uw machine niet aan bougies, welker kwaliteit U niet kent: dit kan moeilijkheden veroorzaken.

13. Positieve accu-pool.
Houd deze schoon en goed verbonden.

14. Voorwiel- as -moer. Zie: Uitnemen voorwiel.

15. Afstellen voorwielremkabel.
Bij juiste afstelling heeft de manette ongeveer een kwart van haar baan speling. Bij vastere afstelling gaat de rem slepen.

16. Frictie-voetpedaal.
Naar voren getuimeld: frictie ingeschakeld. Achterwaarts getuimeld: frictie uitgeschakeld.

17. Versnellingsstang.
Na elke bijstelling van den voorketting, alsook wanneer er enige onregelmatigheid in het schakelen opgemerkt wordt, controlere men de afstelling dezer stang en stelle naar gelang nodig bij. Voor contrôle en bijstelling plaatst men het handel 3 op neutral, maakt de stang los en brengt den transmissie-hefboom, met geringe voor- en achterwaartse beweging, als het ware op gevoel in de juiste positie, waarin de plunger van de schakelveer (binnenin de transmissie) ten volle in de daarvoor bestemde inkeping valt. Kijk daarna, of handel 3 goed zit en stel dan de lengte van de stang bij. Het verdient aanbeveling deze controle te herhalen in de posities low en second, opdat men er zeker van is, dat de afstelling over het geheel goed is. Het schakelmechanisme moet goed afgesteld zijn, daar anders de aandrijfklauwen in de transmissie in de verschillende standen niet ten volle grijpen en, doordat de machine alsdan uit haar versnellingen springt, beschadigd kunnen worden.

18. Stang van het frictie voetpedaal. 
Zie 'afstelling commando organen frictie'. Controleer de afstelling na elke bijstelling van den voorketting.

19. Benzine filter.
Draai het onderste deksel los, verwijder de zeef, welke eens per maand gereinigd en doorgespoeld moet worden. Dit moet vaker geschieden, als onregelmatige carburatie de noodzakelijkheid daarvan aankondigt.

20. Stop inspectiegat voor op-tijd-stelling.
Voor contrôle van op-tijd-stelling van de ontsteking of bijstelling van den onderbreker, nadat deze uitgenomen is geweest, volgt men de tekens, welke de oorspronkelijke fabrieksafstelling aangeven. Met den voorsten zuiger in de compressieslag (direct nadat de inlaatklep zich gesloten heeft, terwijl men den motor vooruit draait) en het teken op het vliegwiel in het midden van het inspectiegat (zuiger is 9/32" vóór het bovenste dode punt), moeten de tekens op de onderbrekerkop en onderbrekernok corresponderen als te zien op Afb. 11.

21. Motornummer.
Bij correspondentie over Uw motorrijwiel en bestelling van onderdelen steeds dit nummer opgeven.

22. Deksel inspectiegat voorketting.

23. Deksel inspectiegat frictie.

24. Stelschroef achterwiel links.
Door middel van deze en eenzelfde schroef aan de rechterzijde kan het achterwiel worden verschoven voor bijstelling van den achterketting. Zie afstelling achterketting.

 terug naar Inhoudsopgave

- Afb. 2 Beschrijving rechterzijde, 750 cc

25. Dop olie reservoir. Zie no. 2 bij de beschrijving linkerzijde.
Onderaan dezen dop bevindt zich een maat. Gebruik Harley-Davidson 'Regular Heavy' olie tot op een temperatuur van 20-25 gr. F. Is de temperatuur onder dit punt gedaald, dan gebruike men 'Medium Heavy'. Wanneer het zó koud wordt, dat 'Medium Heavy' in de tank bevriest, overleg dan met Uw handelaar omtrent verdunning.
De inhoud van de tank is ruim 3 L. Vul niet verder dan tot op ongeveer 2 1/2 cm vanaf den bovenkant, daar de tank enige luchtruimte moet overhouden. Ter voorkoming van lekken moet de dop stevig aangedraaid worden. De oliedrukmeter op het dashboard geeft olie-circulatie aan, wanneer de motor loopt. Het olieverbruik varieert normaal van 1 L op ongeveer 300-600 km, naar gelang van den aard van den dienst, solo- of zijspangebruik, hoge- of middelmatige snelheden en op welke wijze de motor wordt onderhouden. De oliepomp kan desgewenst worden bijgesteld. Hiervoor raadplege men zijn handelaar.
Als na een complete vulling 450 km zijn afgelegd, moet de olievoorraad gecontroleerd worden. Staat alsdan het oliepeil maar weinig boven het teken 'refil' op de oliemaat, dan moet olie toegevoegd worden. Staat het oliepeil gelijk met dit teken, dan kunnen ongeveer 2 L olie worden toegevoegd. Wanneer de olie op peil gehouden wordt, is de olie koeler en het verbruik iets gunstiger en is het tevens niet zo vaak nodig, contrôle te houden op het oliepeil ter voorkoming van drooglopen.
Telkens na ongeveer 4500 km normalen dienst moet alle gebruikte olie afgetapt en de tank met versen olie gevuld worden. Maak de pijp no. 44 los om de tank af te tappen. Dit verversen moet bij zwaren dienst, of wanneer voortdurend op stoffige wegen of in wedstrijden gereden wordt, met korteren tussenpozen geschieden. Het is niet nodig, het carter af te tappen, daar zich hier geen gebruikte olie verzamelt. Eenmaal per jaar verwijdere men het oliereservoir, en spoele dit goed om met petroleum, om alle ongerechtigheden welke zich er in mochten hebben verzameld, te verwijderen.

26. Draaibare handgreep voor gasregeling.
Naar buiten draaiende, wordt de smoorklep gesloten, draait men ze binnenwaarts, dan wordt het gas afgesloten (smoorklep geopend).

27. Dim schakelaar koplamp.

28. Steering damper (geen standaard uitrusting)
Voorkomt door het teweeg brengen van wrijving, overmatig schudden van het voorwiel. Voor normalen dienst houdt men het handle in linksen (vrijen) stand; men draait het naar rechts (bij hoge snelheden), tot de gewenste wrijving is verkregen

29. Claxon (schroef voor regeling van den toon achterin).

30. Valbeugel (geen standaard uitrusting)

31 Rem-pedaal. Zie no. 40.

32. Deksels klepstoters en veren.

33. Onderbreker.

34. Olie (voedings) pomp. Zie no. 25.

35. Stelschroef voorkettings-smering (in den bovendste rand van het distributiehuis-deksel, niet in het pomp-lichaam)
Voor meer olie, dunne ringen onder den schroefkop toevoegen; aantal ringen verminderen voor minder olie.

36. Vulstop transmissie.
Controleer elke week het oliepeil en voeg zo nodig olie toe. Vul gelijk met de vul-opening. Gebruik dezelfde kwealiteit olie als in den motor (zomer en winter). Bij zeer koud weder, als de olie in de transmissie gaat stremmen en daardoor het schakelen moeilijk wordt, moet de olie met een weinig petroleum verdund worden. Als men de transmissie met olie vult, moet het motorrijwiel rechtop staan, dus b.v. niet op den jiffi-stand leunen.

37. Achterwiel stelschroef rechts. Zie no. 24 bij beschrijving linkerzijde.

38. Achterasmoer. Zie 'uitnemen achterwiel'.

39. Rem- as-moer. Om het achterwiel te kunnen bewegen, voor het bijstellen van de achterketting, moeten deze moer en de moer 38 losgedraaid worden.

40. Afstelling achterrem-stang.
Stel de lengte van de remstang zodanig, dat de rem niet in werking treedt, alvorens het pedaal ongeveer 2 1/2 cm naar beneden getrapt is. Draai het achterwiel, om U te overtuigen, dat de rem niet vast zit en sleept.

41. Negatieve (geaarde) accu-pool.
Houd deze schoon en goed verbonden.

42. Ventilatie buisje oliereservoir.

43. Leiding naar oliedrukmeter.

44. Leiding naar olievoedingspomp.

45. Olie retourleiding van de zuiveringspomp onder het distributiehuis.

terug naar Inhoudsopgave

- Afb. 3 Beschrijving linkerzijde, 1000 cc

1. Dimschakelaar vabn de koplamp.

2. Versnellingshandle (standen gemerkt).
Moet op neutral staan, met ingeschakelde frictie, wanneer de motor aangeslagen wordt. Alvorens over te schakelen, moet de koppeling geheel uitgeschakeld worden.

3. Benzinetank-dop (2 st.).
Beide tanks voor benzine. Inhoud linker tank 7 1/2 L., rechter tank ruim 6 1/2 L. Afsluitkraantje onderaan elk der tanks, rechter tank wordt geopend, als het kraantje boven- of benedenwaarts in verticalen stand geplaatst wordt. Als het handle van het kraantje der linker tank in benedewaartsen richting verticaal geplaatst wordt, verstrekt deze tank benzine, tot er een reservevoorraad van ongeveer 2 1/2 L overblijft; om dezen te kunnen aanspreken, draait men het handletje bovenwaarts in verticalen positie. Elk der kraantjes is gesloten met het handle in horizontalen stand. Men gebruike Ethyl- of een andere 'anti-knock' benzine.

4. Ontstekings- en lichtschakelaar slot.
Men schakelt uit door de schakelaar recht vooruit te draaien. Voor parkeerlicht draait men links (zie schakelschema voor bevestiging voor- en parkeerlampen). Draai den schakelaar in eersten stand rechts alleen voor ontsteking - in de tweeden stand rechts voor ontsteking en rijlicht. Het ontsteken der koplamp bij stilstaanden motor schakelt óók de ontsteking in.
De schakelaar kan alleen worden opgesloten in Off en Park. De kleine schakelaar onder de groten is voor de speedometer lamp.

5. Draaibare handgreep ontsteking.
Binnenwaarts te draaien voor voorontsteking; buitenwaards om ontsteking te verlaten. Geheel ingedraaid (volle voorontsteking) is de juiste stand onder het rijden. Moet de motor hard trekken, dan moet de ontsteking, om een betere prestatie te verkrijgen en om kloppen te vermijden,  een weinig verlaat worden. Sommige motoren slaan het best aan met een weinig verlate ontsteking.

6. Choke handeltje van de carburateur.
Staat dit in opwaartse stand, dan is de choke dicht. Zie aanslaan van den motor.

7.. Bougies.
Houd dezen schoon en houd den afstand tussen de punten afgesteld op 025-030. Niet uit elkaar nemen voor schoonmaken. Maak de bougies schoon met schuurpapier. Wanneer een motor, na de inrij-periode te zijn gepasseerd, hoge snelheden moet rijden, zijn koudere bougies dan die van de normalen uitrusting waarschijnlijk nodig. Deze noodzakelijkheid kondigt zich aan door oververhitting, krachtverlies, zwaar kloppen en geblakerde bougie- porceleintjes. Verwaarlozing dezer verschijnselen kan schade door oververhitting tot gevolg hebben. Men gebruike Harley-Davidson bougies. Waag Uw machine niet aan bougies, welker kwaliteit U niet kent: dit kan moeilijkheden veroorzaken.

8. Positieve accu pool.
Houd deze schoon en goed verbonden.

9. Afstelling voorwiel-remkabel.
Indien deze goed is afgesteld, heeft de handgreep een speling van ongeveer 1/4 van zijn volle baan. Is de afstelling vaster, dan zou de rem kunnen slepen.

10. Moer van voorwiel-as.
Na uitdraaien van deze moer, het uittrekken der as en het verwijderen van de ring aan de rechterzijde van de naaf, komt het wiel met de remtrommel vrij en kan uitgenomen worden.

11. Voetpedaal en frictie. 
Dit naar voren getuimeld, is de frictie ingeschakeld. In tegenovergestelde positie is de koppeling uitgeschakeld.

12. Versnellingsstang
Na elke bijstelling van den voorketting moet de afstelling van dezen stang gecontroleerd worden, daar deze dan waarschijnlijk ook bijstelling zal behoeven. Als de transmissie een standaard 4 versnellingen transmissie is, plaatst met het versnellingshandle 2 in den derden stand, is het een 3 versnellingsbak met achteruit, dan schakelt men in tweeden stand. Hierdoor komt het versnellingshandle ongeveer rechtop te staan. Maak de versnellingsstang van de tank handle los en breng het versnellingshandle met geringe voor- en achterwaartse bewegingen zorgvuldig in den juisten stand, waar de schakelveer- plunger (binnenin de transmissie) volledig in de hiervoor bestemde inkeping valt. Kijk daarna, of het tankhandle in den juisten stand staat en stel vervolgens de lengte der stang zodanig bij, dat deze past.
Het schakelmechanisme moet goed afgesteld zijn, daar anders niet zuiver in de verschillende standen wordt overgeschakeld en beschadiging het gevolg is.

13. Inspectiegat voor ontstekingsafstelling.
Voor contrôle van de op tijd stelling der ontsteking of het weder aanbrengen van den completen onderbreker volge men de merktekens, die de oorspronkelijke fabrieksafstelling aangeven: Terwijl de voorste zuiger in den compressieslag staat (direct nadat de inlaatklep zich gesloten heeft, den motor vooruitdraaiende) en het merkteken op het vliegwiel door het inspectiegat juist te zien is (zuiger is 7/16" vóór bovenste dode punt) moeten de merktekens op den kop van den onderbreker en den onderbrekernok corresponderen als te zien is op Afb. 16.

14. Motornummer
Bij bestelling van onderdelen en het vragen van inlichtingen altijd dit nummer opgeven!

15. Voetpedaal stang van de frictie. 
Zie Afb. 28 met onderschrift.

16. Deksel inspectiegat van voorketting.

17. Deksel inspectiegat van koppeling.

18. Stelschroef achterwiel linkerzijde.
Door iddel van deze en eenzelfde schroef aan de rechterzijde, wordt de wiel verschoven, om de achterketting bij te stellen. Zie Afstelling achterketting.

19. Afstelling achterrem stang.
Stel de lengte van de remstang zodanig af, dat de rem niet in werking treedt, alvorens het voetpedaal ongeveer 2 1/2 cm naar beneden gedrukt is. Draai het achterwiel rond, om U ervan te overtuigen, dat de rem niet vast zit en sleept.

20. Achteras moer. 
Zie Afb. 30 met onderschrift.

21. Rem moer.
Deze moer, zowel als moer no. 20 worden losgedraaid om het achterwiel, bij afstelling van de achterketting, te kunnen bewegen.

terug naar Inhoudsopgave

- Afb. 4 Beschrijving rechterzijde, 1000 cc

22. Olietank dop met daaraan bevestigde maat.
Gebruik het hele jaar door Harley-Davidson 'Medium Heavy' olie. Wanneer bij strenge vorst de olie dreigt te bevriezen in de tank, bespreke men met den handelaar evt. verdunning.
De inhoud van de geheel ledige tank is ruim 3 1/2 L. De tank moet niet verder gevuld worden, dan tot ongeveer 2 1/2 cm vanaf de bovenkant. Hoger mag de olie niet komen, want er moet enige luchtruimte blijven. De dop moet stevig op de tank gedaan worden, ter voorkoming van lekkage.
De oliedrukmeter in het dashboardje geeft de oliecirculatie aan, als de moor loopt. De meter behoeft niet ten volle ON aan te geven, om oliecirculatie aan te duiden bij normalen druk. Het olieverbruik varieert normaal tussen 1 L op 400 en 1 L op 800 km, en is afhankelijk van den aard van de dienst solo- of zijspanrijden, snel of middelmatig snel rijden en de manier, waarop de motor onderhouden wordt. De oliepomp kan, wanneer dit nodig is, bijgesteld worden. Hiervoor raadplege men den H-D agent.
Controleer den olie-voorraad telkens, als na een complete vulling hoogstens 450 km zijn afgelegd. Staat het oliepeil niet ver boven 'refil' op de oliemaat, dan moet bijgevuld worden. Staat het peil op 'refil', dan kan ongeveer 1 3/4 L toegevoegd worden. Wanneer de olie goed op peil wordt gehouden, is de olietoevoer koeler en het verbruik wat gunstiger. Bovendien is dan geen voortdurende contrôle van het oliepeil, ter vermijding van drooglopen, noodzakelijk.
Telkens na 4500 km moet alle gebruikte olie afgetapt en de tank met verse olie gevuld worden. Dit moet vaker geschieden, wanneer de machine dienst doet, op stoffige of modderige wegen, of bij zwaren dienst, of wanneer wedstrijden gereden worden. Het is niet nodig, het carter af te tappen, daar zich hier geen olie ophoopt. Eens per jaar demontere men de olietank en spoele deze goed door met petroleum, opdat alle ongerechtigheden, die zich voor de tankzeef bevinden, en alle bezinksels aan beide zijden van de zeef kunnen worden verwijderd.

23. Draaibare handgreep voor gasregeling.
Buitenwaarts draaiende, wordt de smoorklep gesloten, binnenwaarts geopend.

24. Regelingshandle steeringdamper.
Brengt wrijving teweeg in de stuurbeweging ter voorkoming van overmatige schudding van het voorwiel en 'shimmy' (opspringen) bij hoge snelheden. Bij normalen dienst houde men het handle in den linker (vrijen) stand; bij hoge snelheden draait met het handle, naar gelang nodig, naar rechts.

25. Stelknop van den schokbreker.
Brengt wrijving in en beteugelt de actie van de voorvork, teneinde bij hogere snelheden het te hard schokken van het voorste gedeelte te voorkomen. Voor normalen dienst in vrijen stand houden, bij hoge snelheden aandraaien (naar rechts), tot de verlangde wrijving is verkregen.

26.Afsluitkraantje benzine. Zie beschrijving no. 3 (linkerzijde).

27. Onderbreker.

28. Rem-voetpedaal. Zie bij no. 19, beschrijving linkerzijde.

29. Klepstoter-stang-deksels.

30. Benzinefilter. Draai het deksel onderaan af, verwijder de zeef en reinig en spoel deze uit. Dit moet minstens eens per maand geschieden, of vaker, indien onregelmatige carburatie de noodzakelijkheid aankondigt.

31.Olieleiding naar kleptuimelaars en stooterstangen. Zie Afb. 15 met onderschrift.

32. Oliepomp. Zie no. 22.

33. Stelschroef voor de smering van den voorketting.
Voor meer olie dunne ringen onder den schroefkop toevoegen, voor minder olie, ringen wegnemen.

34. Olieleiding naar oliedrukmeter op het instrument paneel.

35. Retourleiding van de zuiveringspomp.

36. Olie ventilatiebuis.

37. Olie toevoerbuis

38. Olie aftapstop. Zie no. 22

39. Olie vuldop transmissie. Controleer om de twee weken het oliepeil en voeg, indien nodig, olie toe. Vul gelijk met de vulopening. Gebruik H-D olie 'Regular Heavy'  's  zomers en 'Medium Heavy' in den winter. Het motorrijwiel moet, wanneer de transmissie gevuld wordt, rechtop staan en niet op den jiffystand leunen.

40. Stelschroef achterwiel, rechterzijde. Zie no. 18 bij de beschrijving van de linkerzijde.

41. Negatieve (geaarde) accupool.
Houd deze schoon en gesmeerd en zorg dat zij goed verbonden is.

terug naar Inhoudsopgave

- Afb. 5 Beschrijving linkerzijde modellen 1200 en 1300 cc

1. Versnellingshandle - standen gemerkt.
Bij het aanslaan van den motor moet het in 'neutral' staan, met ingeschakelde frictie. Alvorens te schakelen, koppeling geheel uitschakelen.

2. Voorwiel remhandle. Zie no. 11.

3. Dimschakelaar koplamp.

4. Claxondrukker.

5. Ontstekingshandle. Voor vervroeging ontsteking binnenwaarts, voor verlating ontsteking buitenwaarts draaien. Volle voorontsteking is de juiste normalen stand onder het rijden. Wanneer de motor onder zware belasting werkt, moet de ontsteking voor betere prestaties een weinig verlaat worden, waardoor kloppen vermeden wordt. Sommige motoren starten het best met een weinig verlate ontsteking.

6. Schakelaar voor licht en ontsteking en schakelaar-slot.
Den stand OFF verkrijgt men door den schakelaar recht naar voren te plaatsen. Men draait naar links voor parkeren met licht (zie ook schakelschema). Voor uitsluitend ontsteking plaatst men de schakelaar in den eersten stand rechts. In den tweeden stand rechts voor ontsteking en rijlicht. Men denke er aan, dat het ontsteken der koplamp, wanneer de motor stilstaat, ook de ontsteking inschakelt. De schakelaar kan alleen in de standen OFF en PARK afgesloten worden.

7. Schakelaar speedometer verlichting.

8. Choke handle carburateur. In benedenwaartsen stand is de choke geopend, naar boven geplaatst, gesloten. Zie 'aanslaan van den motor'. Indien de carburateur van luchtfilter is voorzien, is de werking van het choke handle omgekeerd.

9. Lucht inlaatbuis van de carburateur.

10. Positieve accu pool. Deze goed schoon en verbonden houden.

11. Afstelling voorwielremkabel. Wanneer deze goed is afgesteld, heeft het handle ongeveer 1/4 van zijn gehele baan speling. Bij vastere afstelling kan de rem slepen.

12. Moer voorwiel as. Na afdraaien dezer moer, het uittrekken van de as en verwijdering van den ring op het eind der naaf, komt het wiel met de remnaaf vrij en kan worden uitgenomen.

13. Benzinefilter. Minstens eenmaal per maand, of vaker, wanneer de noodzakelijkheid zich aankondigt door onregelmatige carburatie, draait men het deksel onderaan uit, verwijdert den filter en makt dezen schoon en spoelt denzelfden door.

14. Frictie voetpedaal. Laat men dit tuimelen, dan is de koppeling ingeschakeld; achterwaarts dus met den hiel neergedrukt, is de frictie uitgeschakeld.

15. Inspectiegat voor de optijdstelling. Om de optijdstelling der ontsteking te controleren of den completen onderbreker, nadat deze uitgenomen is, bij te stellen, volgt men de tekens, welke de oorspronkelijke fabrieksinstelling aanduiden. Met den voorsten zuiger in de compressieslag (direct nadat de inlaatklep zich gesloten heeft, terwijl men de motor vooruit draait) en 't teken op het vliegwiel slechts heel weinig voorbij het midden van het inspectiegat (zuiger is 11/32" vóór het bovenste dode punt) moeten de tekens op de onderbrekerkop en de onderbrekernok corresponderen, als te zien op de Afb. 11 van den onderbreker.

16. Motornummer. Dit altijd opgeven, wanneer U onderdelen bestelt of over Uw motorrijwiel correspondeert.

17. Versnellingsstang.
Na elke bijstelling van den voorketting moet de afstelling van dezen stang gecontroleerd worden, daar deze alsdan waarschijnlijk ook bijstelling behoeft. Als de transmissie een standaard 4 versnellingen transmissie is, plaatst met het versnellingshandle 1 in den derden stand, is het een 3 versnellingsbak met achteruit, dan schakelt men in tweeden stand. Hierdoor komt het versnellingshandle ongeveer rechtop te staan. Maak de versnellingsstang van het versnellingshandle los en breng het versnellingshandle met geringe voor- en achterwaartse bewegingen, den transmissie hefboom als het ware op gevoel in de juiste positie, waarin de schakelveer- plunger (binnenin de transmissie) volledig in de hiervoor bestemde inkeping valt. Kijk daarna, of het tankhandle in den juisten stand staat en stel vervolgens de lengte der stang zodanig bij, dat deze past.
Het schakelmechanisme moet goed afgesteld zijn, daar anders de aandrijfklauwen in de transmissie in de verschillende standen niet ten volle grijpen en doordat de machine alsdan uit haar versnellingen springt, beschadigd kunnen worden.

18. Stang van het koppeling-voetpedaal. Zie 'Afstelling commando-organen frictie'. Controleer de afstelling na elke bijstelling van de voorketting.

19. Deksel van het inspectiegat van den voorketting.

20. Deksel van het inspectiegat van de frictie.

21. Afstelling achterremstang.
Stel de lengte van de remstang zodanig, dat de rem niet eerder in werking treedt, alvorens het voetpedaal ongeveer 2 1/2 cm naar voren gedrukt is. Draai het achterwiel rond, om U te overtuigen, dat de rem niet vast zit en sleept.

22. Stelschroef linkerzijde achterwiel.
Door middel van deze en eenzelfde schroef rechts wordt het achterwiel verschoven voor de afstelling van den achterketting. Zie 'Afstelling achterketting'.

23. Achteras moer. Zie 'Uitnemen achterwiel'.

24. Rem moer. Deze moer, evenals as moer 23 moet worden losgemaakt om het verschuiven van het achterwiel, voor bijstelling van den achterketting mogelijk te maken.

terug naar Inhoudsopgave

- Afb. 6 Beschrijving rechterzijde modellen 1200 en 1300 cc

25. Dop olie reservoir, waaraan maat bevestigd.
Gebruik Harley-Davidson olie, en wel 'Regular Heavy' in den zomer, en in den winter, wanneer de temperatuur gedaald is tot lager dan 20-25 gr. F. boven nul, 'Medium Heavy'. Wanneer het zó koud wordt, dat de olie in de tank stremt, overleg dan met Uw handelaar omtrent verdunning.
De inhoud van het reservoir is ruim 3 1/2 L. Vul niet verder, dan tot op ongeveer 2 1/2 cm vanaf den bovenkant, daar de tank enige luchtruimte moet hebben. Ter voorkoming van lekken, moet de dop stevig opgeschroefd worden.
De oliedrukmeter op het dashboard geeft de oliecirculatie aan, wanneer de motor loopt. Het aantal km, dat op 1 L olie wordt afgelegd, is 300 tot 600, en wordt bepaald door den aard van den diens, solo- of zijspanwerk, snel of middelmatig snel rijden en de manier waarop de motor wordt onderhouden. De pomp kan zo nodig bijgesteld worden. Steeds moet, nadat pl.m. 450 km na een complete vulling zijn afgelegd, de olievoorraad gecontroleerd worden. Wanneer dan vastgesteld wordt, dat de olie niet ver boven het teken 'refil' staat, moet olie toegevoegd worden. Is het oliepeil gelijk met dit teken, dan kunnen ongeveer 2 L worden toegevoegd. Wanneer de olie op peil gehouden wordt, is de olie koeler en is het verbruik iets gunstiger terwijl het op peil houden der olie de noodzakelijkheid, het oliepeil dikwijls te controleren, ter voorkoming van drooglopen, voorkomt.
Bij normalen dienst moet steeds na ongeveer 4500 km olie afgetapt worden en de tank met versen olie gevuld worden. Bij zeer zwaren dienst, of wanneer de machine gebruikt wordt op vuile en stoffige wegen of voor wedstrijden, moet dit met kortere tussenpozen geschieden. Het is niet nodig, het carter af te tappen, daar zich hierin geen gebruikte olie ophoopt. Eens per jaar verwijdere men de olietank, om deze flink met petroleum door te spoelen en eventuele ongerechtigheden, die zich voor de tank-zeef bevinden, alsmede alle vuil, dat zich aan beiden zijden van de zeef verzameld heeft, te verwijderen.

26. Bougies.
Deze moeten schoon gehouden worden, terwijl de afstand tussen de punten afgesteld moeten worden gehouden op 025-030". Voor het schoonmaken moeten ze niet uit elkaar gehaald worden. Men make ze schoon met schuurpapier.  Nadat een motor op de voorgeschreven wijze is ingereden, en daarna met tamelijk hoge snelheden gereden wordt, zullen koudere bougies nodig blijken dan die, waarmede de machine oorspronkelijk was uitgerust. De noodzakelijkheid hiervan kondigt zich aan door oververhitting, krachtverlies, zwaar kloppen, geblakerde porceleintjes. Verwaarlozing hiervan kan leiden tot schade door oververhitting.
Men betrekke nieuwe bougies steeds bij den H-D agent. Hij kan bepalen, welk type het meest geschikt is in Uw geval. Proefnemingen met bougies, welker eigenschappen men niet kent en waarvan men niet weet of zij geschikt is, banen een weg tot moeilijkheid.

27 Gas handgreep.
Men draait deze buitenwaarts om de smoorklep te sluiten en naar binnen om de smoorklep te openen.

28. Benzine reservoir dop (2).
Beide tankhelften zijn voor benzine. Inhoud van elk tankhelft ruim 7 L. Afsluitkraantje onder elke tankhelft. Het kraantje van de rechter tank is open, wanneer het handvat naar boven of beneden in verticalen stand staat. Wanneer het handvat van het linker kraantje naar beneden in verticalen stand staat, wordt de tank afgetapt, doch blijft er een reservevoorraad van ongeveer 2 L. Om deze voorraad te kunnen aanspreken, draait men het kraanhandle naar boven in verticalen stand. Elk der kraantjes is afgesloten met het handle in horizontalen stand. Men gebruike 'Ethyl- of ander 'Anti-knock' benzinesoort.

29. Steering damper (geen standaard uitrusting).
Voor normalen dienst houdt men het handle in linkse (vrijen) stand. Men draait het naar rechts, tot de gewenste wrijving is verkregen, wanneer hoge snelheden gereden worden.

30. Claxon (schroef voor regeling van het geluid achterin).

31. Schokbreker(extra uitrusting).
Brengt wrijving teweeg en etugelt de werking van de vork en voorkomt aldus opspringen van het voorgedeelte bij hogere snelheden; bij hoge snelheden aandraaien (naar rechts); moet vrij staan bij normale snelheden, tot de vereiste wrijving verkregen is.

32. Benzine afsluitkraantje. Zie no. 28.

33. Deksels klepstoters en veren.

34. Valbeugel (geen standaard uitrusting).

35. Rempedaal.

36. Onderbreker.

37. Oliepomp.

38. Stelschroef voor de smering van de voorketting (in den bovensten rand van het distributiedeksel, niet inhet pomplichaam). Voor meer olie dunne ringen onder de schroefkop toevoegen; voor -olie ringen wegnemen- minder.

39. Olieleiding naar oliedrukmeter op het dashboard.

40. Olie retour-leiding van de zuiveringspomp onder het distributiehuis.

41. Ventilatiebuisje oliereservoir.

42. Olie-aanvoerleiding naar oliepomp.

43. Vuldop transmissie.
Controleer het oliepeil om de twee weken en voeg zonodig olie toe. Vul gelijk met de vul-opening. Gebruik dezelfde kwaliteit olie als in de motor (zomer en winter). Als men de transmissie met olie vult, moet het motorrijwiel rechtop staan, dus b.v. niet op den Jiffystand leunen.

44. Schroef van den nippel der olie-toevoerbuis.

45. Nippel van de olie-toevoerbuis, met automatische afsluiting, wanneer de nippelschroef verwijderd is. 
Men verwijdere dezen nippel om de olietank af te tappen. Zie beschrijving no. 25.

46. Stelschroef achterwiel, rechterzijde.
Zie no. 22 bij de beschrijving linkerzijde.

47. Negatieve (geaarde) accupool.
Houd deze schoon en zorg dat de verbinding vast zit.

terug naar Inhoudsopgave

2. Modellen en Compressie verhoudingen.

-   750 cc, model 1937

Model

 

Compressie verhouding

WLD

Hoge compressie

6 : 1

WL

Middelmatige compressie

5 : 1

W

Lage compressie

4,3 : 1

Gemiddeld ontwikkelde PK en toerental

24 PK bij 4600 toeren per minuut.

 

Voor zijspandienst wordt het model met lage compressie speciaal aanbevolen, maar dit model is ook geheel geschikt voor solo dienst.
De tandwielverhouding moet natuurlijk bij elken dienst hierop berekend zijn (zie 'Tandwielverhoudingen').
In de Servi-car wordt de laag gecomprimeerde motor gebezigd.

terug naar Inhoudsopgave

-   1000 cc, model 1937

Model

 

Compressie verhouding

EL

Hoge compressie (hoge zuiger), zonder cyl-plaatjes

7 : 1

E

Middelmatige compressie (lage zuiger), zonder cyl-plaatjes
Hoge compressie met cyl-plaatjes

6 : 1
6,5 : 1

Ontwikkelde kracht en toerental, gemiddeld

40 PK bij 4800 toeren per minuut.

 

N.B. Het model met middelmatige compressie wordt vooral voor zijspandienst aanbevolen, maar is ook geheel geschikt voor solodienst. 
Natuurlijk moet voor elken dienst de tandwielverhouding goed zijn.

terug naar Inhoudsopgave

-   1200/1300 cc, model 1937

Model

 

Compressie verhouding

UL     -    74

Hoge compressie

5,5 : 1

U       -    74

Middelmatige compressie

5 : 1

ULH  -    80

Hoge compressie

5,7 : 1

UH    -    80

Middelmatige compressie

5,2 : 1

Gemiddeld ontwikkelde PK en toerental

1200 cc model - 35 PK bij 4300 toeren per minuut.
1300 cc model - 38 PK bij 4300 toeren per minuut.

 

N.B. De modellen met middelmatige compressie worden voor zijspanwerk aanbevolen, maar zijn daarbij tevens alleszins geschikt voor solo-dienst.
Natuurlijk moet voor elken bepaalden dienst de tandwielverhouding juist zijn. Zie 'Tandwielverhoudingen'.
Levering van cylinderkoppen voor lagere compressie is mogelijk. 

terug naar Inhoudsopgave

3. Enkele gegevens

 

350 cc

500 cc

750 cc

1000 cc

1200 cc

1300 cc

aantal cylinders

één

één

twee

twee

twee

twee

Boring  mm

73.024

78.58

69.85

84.14

a. 87.31
b. 84.14

86.91

Cylinder inhoud  cc

345.73

493.28

739.46

987.9

a. 1209.2
b. 1205.7

1290.4

Slag  mm

82.549

101.6

96.85

88.9

a. 101.6
b. 108.7

108.7

Wielbasis

56 1/2 "

57 1/2 "

57 1/2 "

59 1/2 "

a. 60 "
b. 59 1/2 "

59 1/2 "

a = model 1200 vóór 1937       b = model 1200, 1937

terug naar Inhoudsopgave

4. Tandwielverhoudingen

- Tandwielverhoudingen 1200 en 1300 cc, model 1937

 

Motor 
tandwiel

Frictie 
tandwiel

Tussenas 
tandwiel

Achter 
tandwiel

Verhouding
3e versnelling

Verhouding
 in hoogste versnelling

 

transmissie met 4 versnellingen

Solo 74 

22

37

22

51

4.79

3.90

Solo 80 

23

37

22

51

4.57

3.73

Zijspan

20

37

22

51

5.26

4.28

transmissie met 3 versnellingen en achteruit

Toer- en 
bestel zijspan  74 

18

37

22

51

 

4.76

Toer- en 
bestel zijspan  80 

19

37

22

51

 

4.51

Wanneer men een lagere verhouding wenst, montere men een tandwiel met één tand minder. 
Bij een machine met vier versnellingen gebruike men de derde versnelling voor het langzaam rijden en accelereren. Kruissnelheden in hoogste versnelling.

terug naar Inhoudsopgave

- Tandwielverhoudingen 1000 cc

 

Motor 
tandwiel

Frictie 
tandwiel

Tussenas 
tandwiel

Achter 
tandwiel

Verhouding
3e versnelling

Verhouding
 in hoogste versnelling

 

transmissie met 4 versnellingen

Solo

23
20

37
37

22
22

51
51

4.57
5.26

3.73
4.28

transmissie met 3 versnellingen en achteruit

Zijspan

18

37

22

51

 

4.76

Opmerking betreffende 4-versnellingsbak: Rijd in derde, wanneer langzaam gereden en wanneer geaccelereerd wordt. Kruissnelheden in hoogste versnelling.

terug naar Inhoudsopgave

- Overige tandwielverhoudingen

 

Motor 
tandwiel

Frictie 
tandwiel

Tussenas 
tandwiel

Achter 
tandwiel

Verhouding
 in hoogste versnelling

1 cylinder  500 cc

31

63

16

45

5.71 : 1

1 cylinder  350 cc

26

63

16

40

6.06 : 1

750 cc solo

33

59

16

41

4.58 : 1

750 cc zijspan

29

59

16

41

5.21 : 1

750 cc servi-car

26

63

16

37

5.16 : 1

1200 cc solo

22

51

28

51

4.22 : 1

1200 cc zijspan toer

19

51

28

51

4.89 : 1

1200 cc bestel - zijspan   standaard

19

51

28

51

4.89 : 1

1200 cc bestel - zijspan   desgewenst

17

51

28

51

5.46 : 1

terug naar Inhoudsopgave

- Hoe de tandwielverhouding vast te stellen

De tandwielverhouding is het aantal motoromwentelingen op één omwenteling van het achterwiel. Zij kan worden vastgesteld door het product van het aantal tanden op het achter- en frictietandwiel te delen door het product van het aantal tanden van motor- en tussentandwiel.
Voorbeeld:  51x51  :  22x28   geeft een tandwielverhouding van 4.22 : 1.

terug naar Inhoudsopgave

5. Bandendruk

 

Voor  (druk in pounds)

Achter  (druk in pounds)

Zijspan  (druk in pounds)

Solo  3,30 banden

15

18

 

Solo  4,00 banden

18

20

 

Zijspandienst  4,00 banden

18

22

18

Solo  4,50 banden

16

18

 

Zijspandienst  4,50 banden

18

20

18

De bandendruk voor solodienst opgegeven, geldt voor een machine, onder normale omstandigheden, gebezigd met een rijder van normaal gewicht.
De bandendruk voor zijspandienst opgegeven, geldt voor een motorrijwiel, onder normalen omstandigheden, gebezigd met een rijder van normaal gewicht en een gewone zijspanbelading.
De bandendruk moet worden verhoogd in verhouding tot elke verhoging in normalen belasting.
Wanneer voortdurend met hoge snelheden wordt gereden, verdient het aanbeveling, bovenaangegeven bandendruk met ongeveer 2 pound per band te verhogen.

terug naar Inhoudsopgave

6. Aanslaan van den 2 cylinder motor 

Bij het aanslaan van den motor moet het versnellingshandle in den stand Neutral staan en de frictie geheel ingeschakeld. De ontsteking moet ten volle of bijna geheel vervroegd zijn.
De carburateur choke is geheel open, als het handle geheel naar beneden staat en gesloten, als het handle geheel omhoog staat. Bij de 1000 cc is de stand van het choke handle juist tegenovergesteld.

1. Starten van een kouden motor
Plaats het choke handle in geheel gesloten stand (prime). Geef 1/4 gas en terwijl de ontstekingsschakelaar op OFF staat, wordt de starter één of tweemaal neergetrapt., om de cylinders te doen aanzuigen. Plaats nu het choke handle in voor 3/4 gesloten stand, wanneer het weder buitengewoon koud is, en in voor 1/2 - 1/4 gesloten stand bij zacht weder en, terwijl de smoorklep bijna dicht is, plaatst men den ontstekingsschakelaar op ON en slaat de motor aan, door krachtig het startpedaal naar beneden te trappen.
WAARSCHUWING: Met het choke handle op 'prime' zal de motor niet lopen. Zodra de motor aanslaat, opent men de smoorklep juist ver genoeg, dat de motor blijft lopen om warm te kunnen worden of tot men voor de rit klaar is. Als de motor warm loopt en knallen doet horen, ten gevolge van een te rijk mengsel, brengt met het choke handle geleidelijk in benedenwaartse richting. Als de motor goed warm is, stelt men het choke handle in open dus geheel naar beneden (bij de 1000cc geheel naar boven).

2. Aanslaan van een warmen motor (dit geldt voor een motor, die middelmatig warm is).
Zet de choke-handle in voor 1/4 gesloten stand en trap den motor een- of tweemaal aan, terwijl de smoorklep gesloten is. Open dan de smoorklep voor een kwart tot een derde, plaats den ontstekingsschakelaar op ON en trap snel aan. Spoedig nadat de motor loopt, moet het choke handle weer in geheel geopende stand geplaatst worden. Men denke eraan, dat bij deze methode de smoorklep gedurende het aantrappen gedeeltelijk open moet zijn, nadat de ontstekingsschakelaar op ON geplaatst is.

3.Aanslaan van een heten motor.
Als de motor slechts kort gestopt is geweest en op ongeveer normalen rij temperatuur is, is het niet nodig van de choke gebruik te maken. Men sluite slechts de smoorklep, plaats de ontstekingsschakelaar op ON en trap den motor snel aan. Bij sommige motoren gaat, in verband met den carburateur afstelling, het aanslaan van een heten motor beter, als men het startpedaal, eenmaal heeft neergetrapt, alvorens de ontstekingsschakelaar op ON te plaatsen. Als een hete motor niet gemakkelijk aanslaat, dit is na twee- of driemaal aantrappen, is dit gewoonlijk te wijten aan een rijk mengsel, en het aangewezen middel is, de smoorklep dan geheel te openen, zodat meer lucht kan toetreden, doch dezelfde vlug sluiten, als de motor aanslaat.

terug naar Inhoudsopgave

7. Stoppen van den motor

Dit doet men, door den ontstekingsschakelaar op OFF te plaatsen. Moet de motor op andere wijze gestopt worden, plaats dan de ontstekingsschakelaar onmiddellijk op OFF om te voorkomen, dat de accu ontladen wordt door de onderbrekerpunten.

terug naar Inhoudsopgave

8. Inrijden van een nieuwen motor

Rijdt met een nieuwen motor de eerste 400 km niet sneller dan 50 km per uur; de daarop volgende 400 km hoogstens 60 km en de daarna volgende 800 km niet harder dan 80 km (met zijspan 70 km). Vóór de eerste 2500 km zij afgelegd moet niet met topsnelheid gereden worden.
Men vermijde het onnodig stationair draaien van een motor. Nadat met een nieuw motorrijwiel 800 - 1600 km zijn gereden, moet het over het geheel grondig nagezien en eventueel loszittende schroeven en moeren aangedraaid worden, en vooral die, welke motor, transmissie en versnellingsbak plaat gevestigd houden, alsook de schroeven, die de wielen aan de remtrommels bevestigen.

terug naar Inhoudsopgave

9. De carburateur

Knoei niet voortdurend aan de carburateur. Indien de motor niet goed aanslaat of loopt, zoek dan eerst elders naar de oorzaak daarvan. Zie vooral, of de bougies schoon zijn en gehoorlijk afgestelden of het porcelein niet beschadigd is. Probeer nieuwe bougies.
Controleer de afstelling der klepstoters. Overtuig U ervan, dat de compressie in beide cylinders goed is. Kijk of gas- en ontstekingskabels goed afgesteld zijn. Laat carburateur afstellingen bij voorkeur door  een H-D agent verrichten.

Afstellen carburateur (start instructies, zie 'Aanslaan v.d. motor).
Als een carburateur eenmaal goed afgesteld is, vereist zij weinig of geen bijstelling. Hoogstens kan het nodig zijn de naalden niet meer dan een of twee tandjes rijker of armer te stellen ter verbetering van het mengsel bij verandering in weersgesteldheid.
Men draait beide naalden naar rechts, om het mengsel bij de snelheden, waarvoor zij dienen, armer te maken. Draait men ze naar links, dan maakt men het mengsel rijker. Beide naalden worden, in welken stand men ze ook plaatst, vastgehouden door een veer en plunger, welke valt in inkepingen in de stelschroef van de naald. Een geheel ontstelde carburateur wordt als volgt bijgesteld.
Draai zowel de naald voor hoge, als die voor lage snelheden geheel in (naar rechts). Draai dan de naald voor lage snelheden ongeveer twee slagen terug (naar links) en die voor hoge snelheden ongeveer 1 3/4 slag.Bij dezen stand der naalden start de motor, doch het mengsel zal waarschijnlijk te rijk zijn. 
Sla den motor aan en nadat de choke handle in den stand open is geplaatst en de motor normaal warm is, wordt de afstelling van beide naalden geregeld.
Stel eerst af voor lage snelheden. Draai de naald voor lage snelheden met een tandje tegelijk in (naar rechts) tot het mengsel zo arm wordt, dat de motor gaat overslaan en neiging vertoont, te stoppen; draai de naald daarna 5 - 10 tandjes terug of zover, dat de motor regelmatig draait bij gesloten smoorklep en vervroegde ontsteking. Daarna wordt de smoorklep afstelschroef zodanig gedraaid, dat de motor bij gesloten smoorklep behoorlijk stationair loopt. Draait men deze schroef naar rechts, dan gaat de motor sneller stationair lopen, naar links langzamer. Laat een motor niet zo langzaam als mogelijk is stationair lopen; moeilijk afslaan zal van een zodanige afstelling het gevolg zijn. Alvorens deze afstelling te verrichten dient men er zich van te vergewissen, dat de smoorklep door middel van het gashandle werkelijk geheel gesloten kan worden.
Voor de afstelling voor hoge snelheden wordt het motorrijwiel op den weg gebracht. Rijd met verschillende snelheden tussen 30 km per uur en vol gas. Geef volle voorontsteking. Indien de afstelling te arm is, zal de motor knallen doen horen en overslaan bij gas geven, om vanaf een lage snelheid te accelereren. Bij te rijke afstelling is de motor lui en slaat over bij middelmatige en hoge snelheden. Men kan beter een weinig te rijk, dan te arm afstellen, omdat een arm mengsel oververhitting veroorzaakt. De beste prestatie verkrijgt men gewoonlijk, wanneer de naald voor hoge snelheden ongeveer 1 1/2 slag openstaat.

terug naar Inhoudsopgave

10. Aanslaan van den een-cylinder motor

1. Aanslaan van een kouden motor.
Zet den knop van den naald voor lage snelheden omhoog en plaats ze in den hoogsten stand. Bij normaal weder zet men daarna den ontstekingsschakelaar op ON en slaat den motor aan, door het startpedaal krachtig naar beneden te trappen. Bij koud weder moet, behalve het lichten van den naald het choke handletje in gesloten (binnenwaartsen) stand geplaatst worden en, alvorens den ontstekingsschakelaar op ON te zetten, het startpedaal een paar maal naar beneden getrapt worden, om de cylinder te doen aanzuigen. Zet daarna het chokehandletje in half geopenden stand, zet de schakelaar op ON en sla de motor aan.
Waarschuwing: De motor loopt niet, wanneer het chokehandletje in gesloten (binnenwaartsen) stand staat.

2. Zodra de motor aanslaat, moet juist zoveel gas gegeven worden, dat de motor blijft lopen en aldus warm wordt of, tot men gereed is, de machine in beweging te brengen.
Kort na het starten, al naar gelang van de weersgesteldheid, brengt men den knop der naald in normalen (laagsten) stand en, indien de choke voor het starten gebruikt werd, moet het choke handletje in open (buitenwaartsen) stand geplaatst worden.
Nadat men ongeveer 1-3 km gereden heeft, naar gelang van de weersgesteldheid moet de knop van den naald in normalen (laagsten) stand worden teruggebracht.

3. Starten van een warmen motor.
De choke moet niet gebruikt worden, terwijl het gewoonlijk ook niet nodig is, den knop van den naald omhoog te zetten. Gewoonlijk kan een warmen motor gemakkelijk worden aangeslagen, door eenvoudig de smoorklep te sluiten, den ontstekingsschakeaar op ON te plaatsen en het startpedaal vlug naar beneden te trappen.

terug naar Inhoudsopgave

11. Wenken in verband met het rijden op hoge snelheden

Gewen U er aan, bij het rijden met hoge snelheden, af en toe het gas voor een moment af te sluiten. Hierdoor is betere smering van zuigers en cylinders verzekerd en wordt de koeling bevorderd. Bij koud weder rijde men langzaam, tot de motor goed warm is, dit, ter voorkoming van mogelijke schade aan zuigers, zuigerveren en andere onderdelen, voordat de olie voldoende warm is om vrij te kunnen circuleren.
Aan een motor, die, met zijspan uitgerust, langdurig met hoge snelheden moet rijden, moet grotere dan normale zorg besteed worden, om oververhitting en mogelijke schade als gevolg hiervan te voorkomen. Laat zulk een motor regelmatig controleren en zorg, dat de kleppen goed gesteld zijn en de compressie in orde is.
De carburateur moet eerder een weinig te rijk, dan te arm afgesteld zijn, terwijl vaak de bougies gecontroleerd moeten worden. Dit geldt vooral van een motorrijwiel voorzien van een windscherm op het stuur. 
Laat een motor niet onnodig stationair lopen.

terug naar Inhoudsopgave

12. Smering modellen van vóór 1937

De mechanische oliepomp is steeds in werking, wanneer de motor draait. Zij wordt gereguleerd door de smoorklep en voorziet den motor bij normalen dienst van de juiste hoeveelheid olie voor elken snelheid. Zie: Gebruik van de hand-oliepomp. De pomp vraagt geen zorg van den berijder. Alleen overtuige men zich er van tijd tot tijd, of de pompkabel goed verbonden en afgesteld is.
Er is geen afsluiting tussen het reservoir en de pomp; indien men er dus maar voor zorgt, dat het reservoir met olie gevuld blijft, er geen vuil in het reservoir komt en dat de olieleiding zou kunnen verastoppen, dan zal de motor steeds goed gesmeerd worden.
Behalve dat zij de motor de juiste hoeveelheid olie verschaft, verstrekt de mechanische pomp door middel van een secundaire uitlaat en leiding de olie, die nodig is voor de smering van den voorketting. Deze olieleiding komt uit in de pijp voor den drukopheffer en de olie door deze pijp op den ketting geblazen wordt.
De oliepomp is aan de fabriek zorgvuldig afgesteld voor normale smering en bijstelling zal waarschijnlijk niet nodig blijken. Als dit niettemin noodzakelijk mocht blijken, gelden de volgende aanwijzingen.

1-Cylinder model.
 De pomp is verstelbaar voor vergroting of vermindering van den olietoevoer door het losdraaien van schroeven 3 en het verschuiven van stelplaatje 2, als aangegeven (Afb. 8).

2-Cylinder model. 
Lage en middelmatige snelheden (Afb. 9).
Schroef 2 met een aantal ringen onder den kop. Voor meer olie dunne ringen toevoegen (dikte 0.002"); voor minder ringetjes wegnemen. Slechts een of twee ringetjes tegelijk bijvoegen of wegnemen. Geen dikke ringen wegnemen, daar dit, in  verband met de veiligheid van te grote invloed op de afstelling is. 
Op de pomp van de 1200 cc machine bevindt zich bij de ringen onder de kop van schroef 2 één koperen ring van 0.015" dikte. Deze moet worden verwijderd, als de machine voortdurend met zijspan gebruikt wordt.
Hoge snelheden. 
Stelplaat 3. Draai de klemmoer los en verschuif de plaat volgens het daarop voorkomende merkteken. Verstel de plaat nooit meer dan 1/16" per keer. De oorspronkelijke fabrieksinstelling wordt aangegeven door een merk in het pomplichaam.
Voorketting smering. Schroef 4 met een aantal ringen onder de kop. Voeg dunne ringetjes bij voor meer olie; verwijder dunne ringen voor minder olie. Slechts 1 of 2 ringetjes tegelijk bijvoegen of wegnemen.

 

 

terug naar Inhoudsopgave

13. Gebruik van de hand oliepomp

Wanneer een machine op normalen wijze gebruikt wordt, is het slechts nodig, de handpomp te gebruiken voor het doorspoelen van de carter en het, na aftappen, inpompen van een hoeveelheid versen olie. De handpomp behoeft niet direct gebruikt te worden, wanneer met flinke snelheid gereden wordt; alleen wanneer langen tijd met groten snelheid gereden wordt, kan het geen kwaad, bij wijze van veiligheidsmaatregel op elke 3 km rijden ongeveer een half pompje bij te smeren.

terug naar Inhoudsopgave

14. Afstelling klepstoters (750, 1200 en 1300 cc)

Teneinde de maximum krachtsontwikkeling en best mogelijke prestatie van een motor te verkrijgen, houde men de klepstoters goed afgesteld. Zij moeten worden afgesteld na het schuren der kleppen en moeten worden nagezien en zo nodig bijgesteld, telkens nadat daarna 1500 - 2500 km zijn afgelegd. De motor moet koud zijn.

Men overtuige zich er eerst van, dat de bij te stellen stoter in zij laagsten stand is; men verkrijgt dit, door den motor vooruit  te draaien, tot dezelfde stoter in den anderen cylinder in zijn hoogsten positie is (klep geheel open). De inlaatkleppen zijn die, welke zich het dichtst bij den carburateur bevinden.
Stel de stoters zodanig, dat er een speling is van 0.004" - 0.005" tussen de inlaatklepstelen en de stoters, en een speling van 0.007" - 0.008" tussen de uitlaatklepstelen en de stoters. Voor het meten dezer spelingen moet een nauwkeurige diktemeter worden gebezigd. Is deze niet bij de hand, dan gebruike men de dikte van één vel gewoon schrijfpapier, om de speling van den inlaat stoter te meten en de dikte van twee van deze vellen, om de speling van den uitlaatstoter te meten. Vóór het weder aanbrengen van de klepveer deksels inspectere men de papieren pakking tussen elk der deksels en de stoterbus. Is deze gebroken of beschadigd, dan moet een nieuwe pakking worden gemonteerd, om olie lekkage te voorkomen.

terug naar Inhoudsopgave

15. De onderbreker en het merkteken op het vliegwiel (750, 1200, 1300 cc)

1. Merkteken voor de op-tijd-stelling op het vliegwiel. Zie de beschrijving van de linkerzijde.

2. Contra schroeven van de verstelbare contactpunten.
Draai dezen schroeven los, om den afstand tussen de contactpunten te regelen. 

3. Ruimte tussen de contactpunten. 
De volle afstand (fiber van den onderbreker hefboom op hoogste punt van den nok) moet zijn 0.022". Onjuiste afstelling beïnvloedt den tijd der ontsteking.

4. Merkteken op onderbrekernok (correspondeert met fiber van onderbreker hefboom) en merktekens op onderbrekerkop, welke de oorspronkelijke fabrieksafstelling aangeven.
Wanneer de op-tijd-stelling van de ontsteking geregeld is door het openen van de distributiecarter, of  het losmaken en uitlichten van den onderbreker, zodat de tandwielen niet meer in de juiste aangrijping staan, kan de op-tijd-stelling weder geregeld worden (distributietandwielen en deksel gemonteerd), door het merkteken op het vliegwiel en deze merktekens te volgen. Bij contrôle der op-tijd-stelling moet hefboom (8) in binnenwaartsen (vervroegden) stand staan.

5. Onderbrekernok.
De smallen nok stelt de voorcylinder op tijd, de brede nok de achtercylinder.

6. Condensator.

7. Stelbandschroef. Na het losdraaien van deze schroef en daardoor losmaken van den stelband, kan de onderbreker kop verschoven worden, om de op-tijd-stelling bij te regelen, of voor definitieve afstelling bij weder op-tijd-stelling als de tandwielen gedemonteerd zijn geweest.

8. Voor- en na-ontsteking.
Binnenwaartsen stand is voor-ontsteking. Om den onderbreker vrij te maken, zodat hij kan worden uitgenomen, of  zover omhoog te brengen, dat het tandwiel niet meer in aangrijping staat, waardoor de onderbrekernok in de juisten stand voor het weder op-tijd-stellen kan worden gedraaid, maakt men de uiteinden van den houder van het deksel los, licht den onderbrekerkop van diens basis en draait de twee schroeven uit, die de grondplaat aan het distributiehuis-deksel bevestigd houden. Laat Uw handelaar eens of tweemaal per jaar de op-tijd-stelling van den onderbreker bijstellen, met het oog op slijtage aan den onderbreker en distributietandwielen, welke de op-tijd-stelling in enige mate zou kunnen hebben ontregeld.

terug naar Inhoudsopgave

16. Regeling van den onderdruk in het carter (750, 1200, 1300 cc).

1. Merkteken op het vliegwiel, dat precies in  het midden van het inspectiegat voor de op-tijd-stelling in het linker carter verschijnt.

2. Tandwiel van de onderdruk-aandrijfas (worm).
Tandwiel en as grijpen middels klauwen in elkaar. Een oliering en een veer worden achter het tandwiel gemonteerd. De veer drukt het wormwiel naar buiten, vast tegen het tandwiel aan. In één zijde van het wormwiel met de gemerkte zijde buitenwaarts (tegen het tandwiel aan).

3. Stel en houd het krukas tandwiel met de buitenzijde precies 7/16" (bij de 750 cc 5/16") van het distributiehuis verbindingsvlak, daar dit de rijpositie is van het tandwiel, als het distributiehuisdeksel op zijn plaats zit.

4. Afstellingsgat in de onderdruk-as, correspondeert in het midden der gleuf in de onderdruk-bus.
Het bovenstaande kort samengevat: Wormwiel 2 moet zodanig grijpen in het tandwiel van de onderdruk-as, dat, wanneer het merkteken op het vliegwiel in het midden van het inspectiegat is en het krukastandwiel 7/16" (bij de 750 cc 5/16") van het verbindingsvlak gemonteerd is, het afstellingsgat 4 in de onderdruk-as correspondeert als aangegeven.
Waarschuwing. De onderdruk-as is een deel van de zuiverings oliepomp, welke zich onder het distributie carter bevindt, en drijft deze aan. Moet nu de zuiveringspomp uitgenomen worden, dan komt de onderdruk-as met deze naar buiten. Deze demontage vereist niet het afnemen van het distributiehuisdeksel, maar men dient er aan te denken, dat bij her-montage met op tijd gestelde onderdruk-as het nodig is, het distributiehuisdeksel af te nemen en volgens bovenstaande instructies te werk te gaan. De onderdruk moet goed op tijd gesteld zijn, daar het de contrôleklep van het olie circulatiesysteem is.
Wanneer de oorspronkelijke afstelling ontregeld moet worden, verdient het aanbeveling, het weder op-tijd stellen te doen verrichten of controleren door den H-D agent. 

Distributietandwielen met hun merktekens op de juiste wijze correspondeerend (N.B. eerst moet de carter-onderdruk op tijd gesteld worden).

5. Krukas tandwiel. Tandwiel en as zijn verbonden met een getande koppeling en het tandwiel glijdt op de as.

6. Onderdruk tandwiel; drijft ook de zuiverings oliepomp aan.

7. Achter uitlaat nokkenwiel; ook de aandrijving van de olie voedingspomp.

8. Achter inlaat nokkenwiel; drijft ook de onderbreker aan.

9. Voor inlaat nokkenwiel.

10. Voor uitlaat nokkenwiel.

11. Tussen tandwiel (niet gemerkt).

12. Dynamo tandwiel met onderdruk uitlaat olie separatiering (niet gemerkt).

13. Oliezeef.

Een dunne stalen drukring is gemonteerd achter het achter uitlaat- en inlaatnokkenwiel en aan beiden zijden van het voor uitlaat en inlaatnokkenwiel. Bij de andere tandwielen zijn deze drukringen niet nodig.
Wanneer het distributiehuisdeksel wordt afgenomen, verdient het aanbeveling den onderbreker daarvan te verwijderen, evenals de olie voedingspomp, alvorens het te herplaatsen. De onderbreker moet in elk geval weder op tijd gesteld worden en het weder monteren der pomp nadat het deksel weder gemonteerd is, maakt het gemakkelijker de aandrijfklauwen van de pomp op het uiteinde der nokkenas in lijn te brengen met en te doen grijpen in de gleuf van den pomp rotor. Forceer de oliepomp niet, zij wordt gemakkelijker aangebracht, als de aandrijving in lijn is.

terug naar Inhoudsopgave

17. Afstelling der stoters (1000 cc)

1. Stooterstang.

2. Stoter stelschroef, waarmee de bijstelling wordt verricht, nadat men moer (3) een weinig losgedraaid heeft.

3. Contramoer van de stoter stelschroef.

4. Stoter.

5. Luchtinlaat carburateur met schroeven en houders van het stoter stang deksel.
De noodzakelijkheid te zorgen voor de afstelling der stoters, kondigt zich aan door buitensporig tikken en lawaai en te grote spelingen in de tuimelaararmen, of met andere woorden te veel ruimte tussen de kleptuimelaar armen en de uiteinden der klepstelen. Telkens na ongeveer 1500 tot 2500 km moet bijstelling vericht worden en in normalen gevallen zal er niet meer aan gedaan behoeven te worden. De motor moet koud zijn.
Om de stoters van hun bedekking te ontdoen, drukt men op de uitzetbuis van het stoterstang deksel en verwijdert den houder bovenaan. De buis verschuift er dan in. Als elk der stoters bijgesteld is, overtuigt men zich er van, dat hij in zijn laagsten stand staat (klep geheel open). 
Een stoter is op de juiste wijze afgesteld, als de stoterstang weinig of geen merkbare speling heeft en de stoterstang met den vinger geheel rondgedraaid kan worden, zonder enige stroefheid.

terug naar Inhoudsopgave

18. Smeerregeling kleppen (1000 cc) 

1. Uiteinde der tuimelaar as, waarin zichtbaar de groef waarmede de afstelling is gemerkt en welke als gids dient bij de afstelling.

2. Pons center in het tuimelaar huis, welke de oorspronkelijke afstelling der groef in het tuimelaar as aangeeft.

3. Olieleiding nippels.

4. Lucht nippel; kap te verwijderen voor toepassing van luchtdruk.
De tuimelaar-arm-lagers worden onder druk gesmeerd via gangen, geboord in de aluminium huizen en de tuimelaar-arm-assen. De klepstelen worden gesmeerd door groeven in de tuimelaar-armen. De hoeveelheid olie, die naar de klepstelen wordt gevoerd, wordt geregeld door het draaien der tuimelaar-armen als in Afb. 15 aangegeven. Het surplus aan olie loopt in de klepveer deksels en wordt in den motor teruggezogen door oliebuizen tussen de veerdeksels en de achterkanten der aluminiumbuizen. De olie uit de nippels der retourbuis komende, smeert de boveneinden der stoterstangen.
Als de smering te arm is gesteld en deze drooglopen, wordt dit aangeduid door mindere geruisloosheid en wellicht piepen der kleppen.
Bij een goede smeerregeling is er normaal een weinig overtollige olie rondom elk veerdeksel. Is deze olieverspilling te groot, dan wijst dit er op, dat, hetzij de smeerregeling te rijk is gesteld of de retourleiding van het veerdeksel verstopt en meer dan normale hoeveelheid olie zich in het deksel ophoopt, er uit spat.
Een lichte verstopping in de retourleiding kan worden opgeheven, door via nippel (4) luchtdruk toe te passen. Een vast verstopte retourleiding kan losmaken daarvan en rechtstreekse toepassing van luchtdruk op die leiding vereisen, of misschien moet deze leiding opengemaakt worden door er een dunnen draad doorheen te halen. Het verdient aanbeveling, op regelmatige tijden door nippel (4) luchtdruk toe te passen om de leidingen zuiver te houden; dit is beter dan te wachten tot een buis werkelijk is verstopt.
Wanneer een tuimelaar-as bijstelling behoeft, moet zij slechts een weinig tegelijk gedraaid worden en telkens de resultaten worden gecontroleerd. Het beste is, een H-D agent deze bijstelling op te dragen, daar deze meer ervaring in deze werkzaamheden heeft. Wanneer de inlaat-tuimelaar-assen bijgesteld moeten worden, waardoor de moeren van de tuimelaar-as kunnen worden uitgedraaid en het speciale gereedschap voor de bijstelling kan gebruikt worden.
Daar het surplus aan olie van de kopkleppen in de  motorbasis teruggezogen wordt, via het stoterstang deksel, door het cartervacuum, is het van het grootste  belang, dat de stoterstang deksels goed afsluiten, om het maximum aan zuigkracht te handhaven en te grote olielekkage te vermijden. De afsluiting van elk der stoterstang deksels wordt verzekerd door drie kurken ringen, een aan elk uiteinde en een onder de expander sleeve. Deze kurken ringen moeten vernieuwd worden, wanneer er meer dan geringe olielekkage optreedt
De afsluiting der tuimelaar-armen achterin de aluminium buis laat normaal een geringe olie lekkage toe, wanneer de motor na een rit stilstaat. Bij te grote lekkage moeten de olieringen vernieuwd worden. Men late ook dit werk aan den vakman over, daar de complete tuimelaars uit den cylinderkop gedemonteerd worden.

terug naar Inhoudsopgave

19. De onderbreker (1000 cc)

1. Verstelbare contra-schroeven van de contactpunte..
Deze schroeven losdraaien, wanneer de afstand tussen de punten wordt bijgesteld.

2. Afstand tussen de contactpunten.
Geheel geopend (fiber onderbrekerhefboom op het hoogste punt van den nok) is de afstand 0.022". Een onjuiste afstand beïnvloedt den ontstekingstijd.

3. Merkteken op onderbrekernok, correspondeert met fiber van onderbrekerhefboom en merktekens op onderbrekerkop, die de oorspronkelijke fabrieksafstelling aangeven.
Als de op-tijd-stelling ontsteld is door het openen van het distributiehuis of het losmaken en uitlichten van den onderbreker, zodat de tandwielen niet meer in de aangrijping staan, kan de ontsteking weder worden afgesteld (met gemonteerde distributietandwielen en deksel), door het vliegwielmerkteken (zie beschrijving linkerzijde no. 13) en deze merktekens te volgen. Hefboom (8) moet bij contrôle van de op-tijd-stelling en den stand voor voorontsteking (naar voren) staan.

4. Onderbrekernok.
Smalle nok regelt de op-tijd-stelling van den vóór-cylinder, brede nok die van den achter-cylinder.

5. Condensator.

6. Schroeven (twee stuks) welke den onderbreker in het carter vasthouden.
Als deze schroeven verwijderd worden, dat het aandrijftandwiel daarvan (worm) niet meer in aangrijping staat, kan de onderbreker zover uitgelicht worden. Om de onderbreker geheel uit te lichten, zonder den voor-cylinder te demonteren, is het nodig de einden van het dekselhouder los te maken en den onderbrekerkop van zijn basis te verwijderen.

7. Stelbandschroef.
Na losdraaien van deze schroef en daardoor losmaken van den stelband, kan de onderbrekerkop verschoven worden, om de op-tijd-stelling bij te regelen, of ter verkrijging van de eindafstelling bij op-tijd-stelling, nadat de tandwielen gedemonteerd zijn geweest.

8. Hefboom voor vóór- en na- ontsteking.
Bij voorontsteking staat dezen in voorwaartsen stand. Laat Uw handelaar eens of tweemaal per jaar de op-tijd-stelling van de ontsteking controleren en, indien nodig, de afstelling van de onderbreker bijstellen, ter ondervanging van mogelijke slijtage aan de tandwielen, waardoor de ontstekingsregeling in enige mate gewijzigd zou kunne worden.

terug naar Inhoudsopgave

20. Distributietandwielen met hun merktekens (1000 cc)

1. Krukastandwiel en korte as met aandrijfworm oliepomp (correspondeert met uiteinde vliegwielas met geleider, tongetje en groef; er achter bevindt zich een dunne koperen ring; is als geheel uitneembaar.

2. Nokkentandwiel; achter dit tandwiel zit een stalen opvulring.

3. Onderdruk tandwiel.

4. Aandrijftandwiel onderbreker; achter dit tandwiel zit een stalen opvulring.

5. Tussentandwiel (geen merkteken); achter dit tandwiel zit een stalen opvulring.

6. Dynamo aandrijftanwiel (geen merkteken).

7. Aandrijftandwiel oliepomp (geen merkteken); op uiteinde pompas met spie en verende ring.

terug naar Inhoudsopgave

21. Afstellen der klepstoters, modellen van vóór 1937

Wil men dat de motor de grootst mogelijke kracht en snelheid ontwikkelt, dan houde men de klepstoters zuiver afgesteld. Zij moeten worden afgesteld na het schuren der kleppen en moeten daarna worden nagezien, zo nodig bijgesteld, telkens na 1500 km rijden.
Wat vooral bij de afstelling der stoters in acht moet worden genomen, is het volgende:  De motor moet koud zijn. De kleplichter hefboom bij het 1 cylinder model moet in bovenwaartsen stand staan (zie Afb. 7). Om er zeker van te zijn, dat een klep geheel gesloten is en de stoter op zijn laagsten stand staat, wanneer de ruimte wordt afgesteld, draait men bij een 2 cylinder motor den motor, tot de overeenkomstige klep in den anderen cylinder geheel open is. Een 1 cylinder motor draait men, tot de andere klep ten volle open is. 
Vóór herplaatsing der klepdeksels inspecteert men de papieren pakking tussen het deksel en de stoterbus. Is deze gebroken of beschadigd, dan moet een nieuwe worden gemonteerd, ter voorkoming van olie lekkage.

De Afstelling.
De inlaatkleppen zijn die, welke het dichtst bij den carburateur bevinden. Stel de stoters zodanig, dat er0.004 tot 0.005" speling is tussen de inlaatklepstelen en stoters en een speling van 0.006 tot 0.007" tussen de uitlaatklepstelen en stoters. Voor het opmeten der speling moet een goede diktemeter worden gebezigd. Bij ontstentenis hiervan kan men met een enkel vel schrijfpapier de speling der inlaatklepstoters, en met een dubbel vel die van de uitlaatklepstoters meten.
Voor afstelling van een stoter draait men moer (2) (Afb. 10) een weinig los; daarna draait men stelschroef  1 in of uit, al naar gelang nidig is om een zuivere afstelling te verkrijgen. Wanneer de afstelling gereed is, contramoer (2) stevig aandraaien.
Bij en 1 cylinder machine is het nodig, tijdens de afstelling het stoterlichaam met een sleutel vast te houden.

terug naar Inhoudsopgave

22. Het op tijd stellen van kleppen en ontsteking, modellen van vóór 1937

De kleppen worden geopend en gesloten op het juiste moment voor elke klep en de ontsteking is zodanig gesteld, dat zij op het juiste ogenblik de vonk voortbrengt. Dit geschiedt door middel van een serie tandwielen (Afb. 18 en 20) in het distributiecarter. Alle distributietandwielen zijn gemerkt zodat zij, na gedemonteerd te zijn geweest, weder op de juiste wijze kunnen worden herplaatst. De motor is op tijd gesteld en hierin komt geen verandering, tenzij een der tandwielen weggenomen of van stand veranderd is. Dit geldt ook van de ontsteking, als maar de onderbreker met huis compleet, zonder dat deze uit elkaar genomen is, wordt gedemonteerd en herplaatst. Zie 'op tijd stellen der ontsteking' (dit laatste geldt alleen de 2 cylinder modellen).
Voor het weder op tijd stellen van een motor ga men als volgt te werk:
Om bij een 1 cylinder motor bij de distributietandwielen te kunnen komen, moet de oliepompkabel losgemaakt en de olieleiding, carburateur, de drukopheffer en het deksel van het distributiecarter gedemonteerd worden.
Bij een 2 cylinder motor verwijdert men de rechter voetplank, het oliepompdeksel, de voorste uitlaatbuis; men maakt de ontstekings- en oliepompkabel los; voorts demonteert men de olieleiding, de buis van de drukopheffer, den completen onderbreker en het distributiehuisdeksel. De instructies voor het op tijd stellen van kleppen en ontsteking luiden als volgt.

terug naar Inhoudsopgave

- Op tijd stellen der kleppen bij een 1 cylinder model.

Inlaat nokkentandwiel (4) , hetwelk een dubbel tandwiel is, is op drie  plaatsen, 3, 6 en 7, gemerkt. Bij montage der tandwielen in het distributiecarter moet één van de merktekens op tandwiel (4) corresponderen met het merk op hoofdastandwiel (5), een ander met het merkteken op uitlaatnokkenwiel (8) en het derde moet staan tegenover tussentandwiel (2). De kleppen zijn goed op tijd gesteld.
De andere tandwielen (1) en (2), die niet gemerkt zijn, worden gemonteerd volgens de instructies onder 'op tijd stellen der ontsteking'.

terug naar Inhoudsopgave

- Op tijd stellen der ontsteking bij een 1 cylinder model.

Dynamo tandwiel (1) en tussentandwiel 2 zijn niet gemerkt; regel daarom de ontsteking af als volgt.
Monteer de tandwielen (5), (4), (8) in het distributiecarter zodanig, dat hun merktekens corresponderen als hierboven beschreven en afgebeeld. Plaats dynamo tandwiel (1) op anker en as. Dit tandwiel wordt door middel van een spie op de ankeras  bevestigd en is voorzien van drie spiebanen, zodat het kan worden aangebracht in een stand, die nauwkeurige afstelling mogelijk maakt. Druk de spie voorlopig in één der spiebanen. Draai de anker asmoer (linksen draad) een weinig aan. Houd nu een platte liniaal of soortgelijk instrument vlak tegen de platte zijde van onderbrekernok (2) en draai de dynamo rond, totdat de liniaal correspondeert met merk 1, aangebracht in bovensten rond van het onderbrekerhuis (Afb. 19). Houd de dynamo in dezen stand en na onderzocht te hebben of de merken op hoofdas en nokkentandwielen nog corresponderen als hierboven uiteengezet, wordt tussentandwiel (2) in het carter gemonteerd. Beweeg noch het dynamo- noch het nokkentandwiel, opdat tandwiel (2) er tussen kan geschoven worden.
Komt de steek der tanden overeen, dan is de afstelling voltooid; gelukt het bij de eerste poging nog niet, zodat de tanden nog niet goed in elkaar grijpen, dan verandert men de positie van de dynamo tandwiel (1) op de ankeras, door het tandwiel te verwijderen en het zodanig te draaien, dat een der andere twee spiebanen correspondeert met de spie in de as. Verricht daarna de afstelling in haar geheel nog eens opnieuw. Het kan nodig zijn, het dynamo tandwiel nog eens te verwijderen en in zijn derden stand te brengen, alvorens tandwiel (2) goed past.
Nadat de afstelling verricht is, wordt de ankeras moer stevig aangedraaid en het distributiehuisdeksel weder aangebracht.

terug naar Inhoudsopgave

- Op tijd stellen der kleppen bij een 2 cylinder model.

Het achterste inlaatnokkenwiel (2) (Afb. 20) is op drie plaatsen gemerkt, 7-8-10. Het voorste inlaat nokkenwiel (3) is op twee plaatsen gemerkt, 10-11. De andere twee gemerkte tandwielen hebben slechts elk 1 merkteken. Tandwielen (5) en (6) zijn helemaal niet gemerkt,n omdat zij op de afstelling geen invloed hebben. Men denke eraan, dat sommige merktekens op of tussen de tandwielen staan, terwijl andere zich bevinden op de naven. Monteer de tandwielen zoals op de afbeelding aangegeven. De kleppen staan dan goed op tijd gesteld.n Na er op gelet te hebben, dat de fiberringen op hun plaats zitten op de assen van de tandwielen (1), (2), (3), kan men het distributiedeksel weder aanbrengen.

terug naar Inhoudsopgave

- Op tijd stellen der ontsteking bij een 2 cylinder model.

Wanneer de kleppen van een 2 cylinder machine op tijd worden gesteld volgens de tekens op de tandwielen, wordt automatisch ook de ontsteking op tijd gesteld, mits de twee klemschroeven van den onderbreker niet losgedraaid zijn, waardoor de onderbreker ten opzichte van de voor- en na-ontstekingsplaat van stand kan veranderen. Zolang deze schroeven niet losgedraaid zijn, kan het onderbrekerhuis verwijderd en weder op zijn plaats gebracht worden, zonder dat er verandering komt in de oorspronkelijke afstelling.
Wanneer het te eniger tijd nodig mocht blijken, het onderbrekerhuis en de plaat uit elkaar te nemen, maak dan, indien dit niet reeds aanwezig is, met een vijltje een merkteken op den kant, om de oorspronkelijke afstelling aan te geven. Dit is de eenvoudigste manier, om de oorspronkelijke afstelling te behouden. Een andere meer nauwkeurige methode om de ontsteking te controleren en weder op tijd te stellen, vindt U in het volgende hoofdstuk uiteengezet.

terug naar Inhoudsopgave

- Op tijd stellen der ontsteking, zonder gebruik te maken van het merkteken op den onderbreker (1200 cc model)

Op Afb. 21 ziet men de stop uit het afstellingsgat verwijderd. Pijltjes geven de juiste positie aan van het merk op het vliegwiel voor de verschillende wijzen van afstelling: Model VD 5/16" , Model VLD 3/8 ".
Demonteer de bougies, opdat de motor vrij kan draaien. Nadat het stofdeksel van de oliepomp en het onderbrekerdeksel verwijderd zijn, stelt men den afstand der punten af op 0.022". Bij de optijdstelling van de ontsteking is het van het grootste belang, dat de afstand der punten nauwkeurig afgesteld is. Draai nu den motor tegen de richting  van de wijzers der klok in (de richting, in welke de motor draait) om den voorsten cylinder in den compressieslag te krijgen. Blijf langzaam doordraaien totdat het merk in het vliegwiel door het gat zichtbaar wordt. Als de motor in dezen stand gedraaid is, moet het smalle einde van de onderbrekernok op het punt zijn, de punten te openen. Denk er aan, dat het merk op het vliegwiel alleen op den voorcylinder betrekking heeft en deze met het smalle einde van de onderbrekernok op tijd moet werken.
Indien men vaststelt, dat bij volle voorontsteking de onderbrekerpunten juist beginnen te openen, als het teken op het vliegwiel in de juiste positie voor het type motor, dat afgesteld wordt, wordt gedraaid, is de op tijd stelling juist. Is dit niet het geval, dan is de afstelling niet goed of althans niet nauwkeurig. De stand van het vliegwielteken, waarin de punten juist beginnen te openen, kan nauwkeurig gevonden worden door den ontstekingsschakelaar op ON te plaatsen. Als de punten openen, gaat de wijzer van den ampèremeter van ontladen naar 0.
Om een afstelling, die slechts weinig veranderd is, weder in orde te brengen, verstelt men eenvoudig de stopschroef in het distributiehuisdeksel, tegen welke de onderbreker komt bij volle voorontsteking. Het naar links draaien van deze schroef verlaat de ontsteking,naar rechts draaiend, vervroegt men de ontsteking.
Wanneer de afstelling zodanig ontsteld is, dat bijstelling door middel van bovengenoemde schroef niet mogelijk is, draait men eerst de klemschroeven los en stelt den onderbreker zo nauwkeurig mogelijk bij; daarna brengt men de afstelling verder in orde door middel van de stopschroef. Draai de schroeven van den onderbreker en de contramoer van de stopschroef stevig aan.

terug naar Inhoudsopgave

- Op tijd stellen der ontsteking, zonder gebruik te maken van het merkteken op den onderbreker (750 cc model)

Demonteer de bougies, opdat de motor vrij kan draaien. Nadat het stofdeksel van de oliepomp en het onderbrekerdeksel verwijderd zijn, stelt men den afstand der punten af op 0.022". Bij op tijd stelling van de ontsteking is het van het grootste belang, dat de afstand der punten nauwkeurig afgesteld is.
Verwijder nu de stop uit het afstellingsgat vooraan de linker carterhelft, juist onder het motornummer. Draai nu den motor tegen de wijzers van de klok in (de richting, in welke de motor draait), om den voorsten cylinder inde compressieslag te krijgen. Blijf langzaam doordraaien, totdat het merk in het vliegwiel door het gat zichtbaar wordt. Als de motor in dezen stand gedraaid is, moet het smalle einde van den onderbrekernok op het punt zijn, de punten te openen. Denk er aan, dat het merk op het vliegwiel alleen op den voorcylinder betrekking heeft en deze met het smalle einde van de onderbrekernok op tijd moet werken.
Indien men vaststelt, dat bij volle voorontsteking de onderbrekerpunten juist beginnen te openen, als het teken op het vliegwiel ongeveer naar het midden van het inspectiegat gedraaid wordt, is de op tijd stelling juist. Is dit niet het geval, dan is de afstelling niet juist, of althans niet nauwkeurig. De stand van het vliegwielteken, waarin de punten juist beginnen te openen, kan nauwkeurig gevonden worden door den ontstekingsschakelaar op ON te plaatsen. Als de punten openen, gaat de wijzer van den ampèremeter van ontladen naar 0. 
Om een tijdafstelling weder te regelen, maakt men de klemschroeven los en stelt den onderbreker naar gelang nodig bij.

terug naar Inhoudsopgave

23. Onderhoud kettingen (alle modellen)

Elke week moet de afstelling der kettingen worden nagezien en zo nodig bijstelling verricht worden. Contrôle van de afstelling van de voorketting is mogelijk door een daarvoor aanwezig gat in de kettingkast. Men lette er op, dat de kettingen niet te slap worden en daardoor de kettingkast raken, daar hierdoor de machine bij langzaam rijden zal stoten en de kettingen en tandwielen abnormaal slijten. De achterketting vraagt meer attentie dan de voorketting.
Men stelle de kettingen zodanig af, dat zij midden tussen de tandwielen ongeveer 1/2" op  en neer speling hebben. Span ze niet vaster, daar te strak gespannen kettingen nog meer kwaad doen dan de slappe. Daar de kettingen in gebruik rekken en slijten, zullen ze op de ene plaats op de tandwielen grotere druk uitoefenen dan op de andere. Controleer de afstelling altijd op het strakste punt.
Ga van tijd tot tijd na, of er geen schakels in slechte toestand verkeren. Zulke schakels moeten gerepareerd worden of vernieuwd. De achterketting kan gedemonteerd worden, nadat men den verbindingsschakel met sluitveertje heeft opgezocht en weggenomen. De voorketting is echter oorspronkelijk niet van zulk een verbindingsschakel voorzien en tenzij er te eniger tijd bij een reparatie een is aangebracht, zal het nodig zijn, dat het motortandwiel verwijderd moet worden, voordat de ketting kan worden gedemonteerd.
Minstens na elke 1500 km borstele men het vuil, dat zich op den achterketting heeft opgehoopt, af en smeert een prima soort kettinglubricant op den ketting. Een dergelijke smeerstof zal zich in de kettinglagers werken. De voorketting wordt gesmeerd door de automatische pomp. Zie de beschrijving van de rechterzijde.

terug naar Inhoudsopgave

- Afstelling voorketting

De voorketting wordt afgesteld door het losmaken van de vier moeren en één kopschroef onder aan den versnellingsbak (bij het 750 cc model alleen twee moeren), die de bak aan de plaat en klem op de rechter framebuis bevestigd houden en daarna door het achter- en vooruitschuiven van de transmissie door middel van de stelschroef welke zich rechts achteraan op de transmissie bevindt.
Men draait de stelschroef naar rechts, om den ketting vaster te stellen, naar links om hem slapper te maken. Als de afstelling naar genoegen is, zet men de transmissie stevig vast. Kijk ook van tijd tot tijd de bouten van de plaat na en houd deze stevig aangedraaid. 
N.B. De transmissie van het 1000 cc 1936 model had slechts vier klemmoeren en een verstelbaar steundeel tussen starterzijde en onderste framebuis.
Bijstelling van den voorketting brengt verandering in de afstelling van den achterketting, dus moeten beiden worden bijgesteld.
De verschuiving van de transmissie voor de bijstelling van de voorketting heeft ook invloed op de afstelling van de versnellings- en frictie- commando-organen. Daarom moet na elke bijstelling van den voorketting, ook bijstelling van de commando-organen geschieden, of in elk geval hun afstelling worden gecontroleerd. Zie beschrijving linkerzijde en 'Afstelling commando-organen frictie'.

terug naar Inhoudsopgave

- Afstelling achterketting

Verwijder de achteras moer en het sluitringetje en draai de moer van de remtrommel los. Ook draait men de contramoeren op de ketting spannerbout los. Draai de stelschroef voor zoveel nodig, om den ketting goed bij te stellen. Draai elke schroef een gelijk aantal slagen, teneinde het wiel sporend te houden. Controleer of ht wiel sporend is, door er op te letten, of de band in het midden tussen de achter- en onder-framebuizen loopt en ook of het achtertandwiel zuiver in de lijn staat met de ketting. Na bijstelling alles, wat losgemaakt werd, weder stevig vastzetten.
Na afstelling van de achterketting kan het zijn, dat de achterrem te vast staat, in welk geval de remstang bijgesteld moet worden. Zie beschrijving der linkerzijde.

terug naar Inhoudsopgave

- Reparatie van een ketting  

Wanneer een ketting gerepareerd moet worden, verwijdert men de gebroken schakels, door de geklonken pennen daarvan met een kettingpons weg te drukken. Monteer vervolgens de nodige nieuwe schakels. De kettingpons kan ook gebruikt worden voor den duplex voorketting. De kettingpons maakt deel uit van het gereedschap, dat zich bij de machine bevindt.

terug naar Inhoudsopgave

24. De frictie

De noodzakelijkheid de frictie en de commando organen daarvan na te zien, kondigt zich aan door slippen van de frictie onder belasting, of slepen wanneer zij uitgeschakeld is. In elk geval is het eerste, dat gecontroleerd moet worden, de afstelling der commando organen. Bijstelling der commando organen is gewoonlijk nodig.

- Afstelling commando organen der frictie (750 cc model)

Juiste afstelling: Als voetpedaal (16) in geheel ingeschakelde stand staat (naar voren getuimeld) moet hefboom (1) een weinig speling voor- en achterwaarts hebben, en wanneer het pedaal naar achteren  getuimeld is, moet de hefboom vrij staan van de framebuis en de schakelbeweging, als de machine in  hoogste versnelling staat. Stel zonodig bij door het verlengen of verkorten van pedaalstang (2). Deze afstelling volgend, plaatst men wederom het voetpedaal geheel naar voren en controleert het uiteinde van hefboom 1 op speling, welke behoort te zijn 1/16" - 1/8". Voor bijregeling der speling draait men contramoer (4) los en draait (3) naar rechts voor minder, naar links voor meer speling.
Waarschuwing: Indien het uiteinde van hefboom (1) niet de speling heeft als hierboven aangegeven, zal de koppeling niet goed houden. Bij te veel speling zal de frictie slepen, als zij uitgeschakeld is en moeilijk, niet geruisloos overschakelen en tenslotte beschadiging hiervan het gevolg zijn.

 terug naar Inhoudsopgave

- Regeling van de spanning der frictieveren (750 cc model)

Wanneer de koppeling slipt, na contrôle der commando organen en juiste bijstelling, verhoogt men de spanning der frictieveertjes door het aandraaien (naar rechts) van moer (7). Zie Afb. 27. Om bij deze moer te komen, verwijdert men de kettingscherm en neemt stootplaat (9) . Met gebruikmaking van een specialen sleutel of zachte spons met hamer, zet men moer (7) vast (een halve slag tegelijk), totdat de frictie pakt. Na elken halven slag controleert men de frictie door gebruikmaking van het startpedaal. Pakt de frictie daarbij goed, dan zal zij het ook op de weg doen.
Vergroot de spanning der frictieveertjes niet meer dan nodig is, om de koppeling te doen pakken. Zoals een nieuwe frictie oorspronkelijk is gemonteerd en afgesteld, is de afstand van den voorkant van plaat (6) tot de borst op de vier bouten van de stootplaat 1/8". Moer (7) mag niet zodanig afgedraaid worden, dat plaat (6) verder dan 1/4" van de borst op de bouten verwijderd is. Bij verdere samenpersing zal de frictie niet goed vrij kunnen komen.
Wanneer de frictie niet goed houdt, ook nadat men zich overtuigd heeft, dat de afstelling van de commando organen juist is, moet zij voor onderzoek der platen en veren uit elkaar genomen worden. Wellicht blijken dan de fiberplaten versleten, of wel zijn deze alleen van olie doortrokken en moeten zij gereinigd worden. Wanneer een frictie sterk oververhit is geweest, tengevolge van slippen zal men waarschijnlijk vaststellen, dat de veren ingekrompen zijn.

terug naar Inhoudsopgave

- Uit elkaar nemen der frictie

Demonteer de kettingkase ne frictie stootplaat (9), evenals wanneer men de veerspanning regelt en draai moer 7 (Afb. 27) geheel uit. De frictie kan dan voor inspectie uit elkaar genomen worden.
Bij weder montage van de koppeling doet men een paar druppels olie of een kleine hoeveelheid vet in het kogellager van het tandwiel. Stel moer (7) af als in het vorige hoofdstuk uiteengezet. Voor herplaatsing van stootplaat (9) moet een weinig vet op den kogel gedaan worden. Nadat de montage geschied is controleert men de afstelling. Zie "Afstelling der frictie, commandoorganen".
Wanneer een frictie moet worden gedemonteerd, is het beter, dat een H-D agent dit doet.

terug naar Inhoudsopgave

 

 

 

 

 

 

- Afstelling commando organen frictie, 1000, 1200, 1300 cc

Juiste afstelling (Afb. 28): Als het voetpedaal in uitgeschakelde stand staat, dus achterwaarts getuimeld, moet koppeling hefboom (1) ongeveer recht tegenover den bovenkant van de versnellingsbak staan, met een weinig speling voor het verhoogde deel op den bovenkant. Bijstelling, wanneer nodig, wordt verricht door verkorting of verlenging van voetpedaalstang (2). Deze afstelling volgende, brengt men het voetpedaal (11) in ingeschakelde positie (naar voren getuimeld) , draait contramoer (4) los en stelt stelschroef (3) zodanig af, dat het uiteinde van hefboom (1) ongeveer 1/8" speling heeft, voor- en achterwaarts. Draai de schroef naar rechts voor minder speling, naar links voor meer.
Waarschuwing: Indien het uiteinde van hefboom (1) geen speling als bovenbedoeld heeft, zal de frictie haar functie niet naar behoeven vervullen. Bij te veel speling komt de koppeling niet vrij, wanneer uitgeschakeld; moeilijk, niet geruisloos overschakelen, evenals beschadiging van het mechanisme, zal daarvan het gevolg zijn.

terug naar Inhoudsopgave

 

- Regeling van de spanning der frictieveren, 1000, 1200 en 1300 cc

Indien de koppeling slipt, nadat de commando organen zijn nagezien en goed afgesteld, verhoogt men de spanning der veertjes door het aandraaien naar recht van moer (8), Afb. 29. Om bij deze moer te kunnen komen, verwijdert men het kettingscherm-frictiedeksel en demonteert drukkap (5). Alvorens men moer 8 kan draaien, moet ring (7) rechtgetrokken worden op de plaats, waar deze afsluiting der afstelling, in de gleuf van de moer zit. N.B. Ring (7) zit ook in de gleuf in veerplaat (12) ter opsluiting van veerplaat (12).
Zet moer (8) vast met behulp van een specialen sleutel of een hamer met zachten doorslag, één slag tegelijk, tot de koppeling pakt. Onderzoekt dit na elken slag, door met den kickstarter den motor te draaien. Gewoonlijk functioneert een koppeling, welke zonder merkbaar slippen bij het aantrappen van den motor pakt, ook op den weg goed.
Vergroot de spanning der frictieveertjes niet meer dan nodig is om de koppeling te doen pakken. Zoals een nieuwe koppeling oorspronkelijk is gemonteerd en afgesteld, is de afstand van den voorkant van veerplaat (12) tot de borst op de vier tapeinden, van den drukplaat 11/32" . In elk geval draait men moer (8) niet zover aan, dat plaat (12) verder dan 11/32" van de borst der tapeinden verwijderd is. Dit is ongeveer zes omdraaiingen van moer (8). Indien de compressie groter wordt, kan waarschijnlijk de koppeling niet geheel vrij komen.
Indien na al deze afstellingen de frictie nog niet pakt, zal deze uit elkaar moeten worden genomen voor onderzoek der platen. Misschien zal dan één der platen verslepen blijken te zijn, ofwel doortrokken van olie, in welk geval zulk een plaat gewassen en gedroogd moet worden.
N.B. Veerplaten (6) worden niet bij het gereedschap geleverd, maar kunnen desverlangd geleverd worden. Het is niet absoluut noodzakelijk ze te hebben, maar met behulp ervan kunnen de veertjes samengedrukt worden en de spanning op plaat (12) opgeheven, wanneer moer (8) bijgesteld of moer (9) weggenomen wordt. Indien zij niet voorhanden zijn, wanneer men, als op Afb. 29 te zien, de frictie uit elkaar neemt, draait men de moeren op twee tapeinden, alvorens men moer (9) uitdraait. Hierdoor worden de veren bijeengehouden.

terug naar Inhoudsopgave

25. Wielen 1000, 1200 en 1300 cc model

Het voorwiel zowel als het achterwiel kan in een ogenblik van de remnaaf afgetrokken worden, wanneer het wiel om één of andere reden gedemonteerd moeten worden. Voor en achterwielen zijn onderling verwisselbaar, wanneer zij van de  remnaaf afgetrokken zijn. Bij uitname van het achterwiel is het nodig, de achterrem aan te zetten en op te sluiten teneinde de afstelling van remtrommel en tandwiel goed intact te houden, terwijl men het wiel er af trekt.

 terug naar Inhoudsopgave

26. Uitnemen van het achterwiel

Plaats het motorrijwiel op den achterstandaard en klap het achtergedeelte van het spatscherm op. Draai de 5 klemschroeven, die het wiel aan de rem vasthouden, los. De sleutel voor de klemschroeven kan alleen den achterkant van de as bereiken, dus moet het wiel rondgedraaid worden, om elk der schroeven in deze stand te brengen. Druk het rempedaal in en sluit de rem op, door het remstandslot terug te schuiven tegen den voetplanksteun, of met pedaalslot, indien de machine hiermee uitgerust is (het remstandslot is een vleugelmoer klem op de stang, nabij het pedaal. Bij latere modellen is de stoplampketting er aan gehaakt). Neem de as uit en verwijder den ring van tussen de wielnaaf en de rechterzijde (linkerzijde bij de 750 cc) van het frame. Het wiel komt dan vrij.
Bij weder monteren van het wiel verricht men bovenstaande werkzaamheden in omgekeerde volgorde, maar zorgt er voor, dat de vijf wiel-klem-schroeven goed worden vastgedraaid, alvorens de asmoer wordt aangedraaid. Om de mogelijkheid te vermijden, dat onder het rijden het wiel losraakt en de flens beschadigt, is het van belang dat de klemschroeven zeer vast worden aangedraaid.

terug naar Inhoudsopgave

27. Uitnemen van het voorwiel (1000, 1200 en 1300 cc model)

Plaats het voorste deel van het motorrijwiel omhoog door middel van den voorstandaard, of door het onderplaatsen van blokken. Voor bandreparaties of kleine herstellingen aan het wiel zelve, behoeft het wiel niet, zoals het achterwiel, van de remtrommel afgenomen te worden. Dit is alleen maar nodig bij vervanging of verwisseling met het achterwiel.
Men neemt de as uit en verwijdert den ring van tussen de naaf en de rechter jumelle. Het wiel kan dan, met of zonder rem, worden uitgenomen.

terug naar Inhoudsopgave

28. Afstelling achterwielnaaf

Afb. 31 is een doorsnee tekening van de naaf. Alvorens te trachten bijstelling te verrichten of de naaf uit elkaar te nemen, bestudere men deze tekening en de beschrijving.
Om alleen te grote zijdelingse speling weg te nemen, is het niet nodig de naaf geheel uit elkaar te nemen. Draai alleen schroeven (1) uit, waardoor het complete druklager vrijkomt. Een of meer plaatjes (6), naar gelang nodig, kunnen dan worden toegevoegd, waarna het lager weder op de naaf geplaatst. Men voege niet te veel plaatjes toe, daar hierdoor holle as (5) te veel gebonden wordt. Deze moet na stevig aandraaien van schroeven (1) nog vrij kunnen draaien.
Het is het beste kurken ring (4) even uit te halen, als men de afstelling van de huls wilt controleren, en dezen weder te monteren, als de bijstelling verricht is. De kurken ring heeft enigen invloed op de vrije beweging van de huls en maakt het daardoor moeilijk, vast te stellen, of al dan niet de huls geheel vrij loopt tussen drukringen (7). Te grote speling op en neer in de lagers van de wielnaaf ten gevolge van slijtage kan worden verholpen door montage van overmaat rollen (10). Om de naaf geheel uit elkaar te nemen voor contrôle van de rollagers, demonteert men eerst het complete druklager als hierboven uiteengezet. Daarna verwijdert men verenden ring (15), ring (14), kurken ring (13), waarna men binnenhuls (8) uittrekt. Het rollager aan de remzijde kan nu uitgenomen worden, nadat men vering (12) en plaatje (11) gedemonteerd heeft.
Het is gewenst, reparaties aan de achterwielnaaf over te laten aan een ervaren H-D monteur, daar het er zeer op aankomt, dat de montage niet te vast geschiedt. Als de naaf weder gemonteerd is, moeten de rollagers vrij kunnen draaien en slechts geringe speling hebben.

terug naar Inhoudsopgave

29. Uitnemen van het voorwiel (750 cc model)

Plaats het voorste deel van het motorrijwiel omhoog door middel van den voorstandaard of een blok. Maak de remkabel los, trek de remschommel bout van de vaste vork uit, verwijder de as moer en trek de as uit.  Het wiel komt dan vrij. Bij weder montage van het wiel lette men er op, dat de gleuf van de rem stabilisatie plaat gemonteerd wordt over het uitstekende uiteinde van de voorvork jumelle as. Draai de as stevig aan.

terug naar Inhoudsopgave

30. Afstelling voorwielnaaf (750 cc model)

Verwijder het wiel van het motorrijwiel en daarna de conus contramoer en ring van de rechterzijde der naaf. De conus kan dan rondgedraaid worden, om de juiste afstelling te verkrijgen. Stel zodanig af, dat er maar een geringe speling kan worden vastgesteld en het wiel vrij kan draaien. Controleer de afstelling, nadat de conus contramoer is herplaatst en stevig aangedraaid. Voor demontage en inspectie der conussen en kogels moet de rechter conus geheel, van de as-bus afgedraaid worden. Er zijn 26 kogels van 5/16" in de naaf, 13 aan elken kant. 

terug naar Inhoudsopgave

31. Wielen modellen van vóór 1937

31.1. De wielnaven

Die behoeven onder normalen omstandigheden weinig meer onderhoud dan behoorlijke smering. Afb. 32 geeft een doorsnede van één der onderling verwisselbare wielen van 1200 cc model. Wanneer het nodig is, de naaf uit elkaar te nemen voor inspectie en onderhoud van rollagers (14), bakelite drukringen (15) of vilten ring (7), moet men eerst sluitring (6) uitbuigen op de plaats, waar deze gemonteerd is in het gleufje van contramoer (11); daarna moer (11) afdraaien. Vervolgens ring (6) verwijderen en naafmoer (9) uitdraaien. Asje (9) kan dan gedemonteerd worden.
Te grote speling op en neer in het lager van de wielnaaf kan worden opgeheven door montage van overmaat rollen. Zijdelingsche speling kan enigermate worden verholpen door eenvoudig nieuwe bakelite drukringen (15) te monteren.
Voor verdere bijstelling is nodig verwisseling van plaatje (3), dat in verschillende breedte verkrijgbaar is. De complete rem haalt men gemakkelijk uit elkaar, nadat men deze uit het motorrijwiel gehaald heeft. Te grote speling in de lagers van de remnaaf wordt verholpen door montage van overmaat rollen.
Als de naven weder gemonteerd zijn, moeten de lagers vrij kunnen draaien en slechts geringe speling hebben. Reparatie aan wiel- en remnaven kan men het beste overlaten aan een ervaren H-D monteur.

terug naar Inhoudsopgave

31.2. Demontage en montage der wielen (1200 cc)

Om het voor- of achterwiel te kunnen uitnemen, draait men eerst de moer uit, die zich op het linker uiteinde van de as bevindt en trekt de as vanaf de rechterzijde uit. Wanneer de as uitgetrokken is, kunnen de ringen tussen de rechter asklem op de vorkschommel, gedemonteerd worden. Het wiel kan dan van de remnaaf getrokken en uitgenomen worden. Daar de wielen en de remnaven nauwkeurig op elkaar passen, moeten de wielen voorzichtig van de naven genomen worden of daarop geplaatst worden. Wanneer de wielen weer gemonteerd moeten worden doet men bovenstaande werkzaamheden in omgekeerde richting. Denk eraan, dat er twee ringen zijn tussen de voornaaf en de rechter vorkschommel. De voorste ring kan met elke zijde van de vorkschommel gericht, gemonteerd worden; bij de achterste echter moet het grootste uiteinde van den langsten ring naar de asklem worden gemonteerd.
Ter montage van het wiel van de toer- of bestel zijspanwagen maakt men eerst de binnenste en buitenste  spatbordsteunen los en draait de moer op de spatscherm steunstang los. Laat het spatscherm naar voren overhangen, zodat men er bij demontage van het wiel geen last van heeft, demonteer alsdan de dopmoer en de naafdop, de moer van de as en de ring. Het wiel kan daarna over de as uitgetrokken worden. Voor montage van het wiel verricht men deze werkzaamheden in omgekeerde volgorde.

terug naar Inhoudsopgave

31.3. Afstelling der lagers van het voorwiel (350, 500 en 750 cc)

Verwijder het wiel van het motorrijwiel en daarna de contramoer van de conus en de ring van de rechterkant der naaf. De conus kan alsdan worden gedraaid, ter verkrijging van de juiste afstelling. Stel zodanig af, dat er een geringe speling wordt waargenomen en het wiel vrij draait. Controleer de afstelling nog eens, nadat de conus sluitmoer  herplaatst en stevig aangedraaid is. Om de kogels en de conus te verwijderen en te inspecteren, draait men de rechter conus van de holle as af. Het 350 cc model is uitgerust met een voornaaf, waarin 28 1/4" kogels, 14 aan elke zijde, behoren. In de voornaaf der andere modellen komen 26 stuks 5/16" kogels, 13 aan elken kant.

terug naar Inhoudsopgave

31.4. Afstelling der lagers van het achterwiel (350, 500 en 750 cc t/m type 1934)

Om bijstelling of inspectie der lagers mogelijk te maken, moet eerst het wiel van het motorrijwiel afgenomen worden. De afstelling  wordt verkregen door middel van ringetjes in verschillende dikten tussen den rechter conus en het uitstekende gedeelte van de as. Voor bijstelling verwijdert men de conus sluitmoer (linksen draad) den ring, de contramoer van het tandwiel (linksen draad), met vilten vethouder, opvulringetje en de conus met rollen. Verwijder ringetjes of voeg deze toe, naar gelang nodig is, om een zodanig afstelling te verkrijgen, dat de as ongeveer 0.0006` zijwaartsen speling heeft, wanneer de conussluitmoeren zijn aangedraaid. Controleer de afstelling, nadat het wiel gemonteerd is en de moeren van de as stevig aangedraaid zijn. Wanneer de afstelling goed is, zal er enige zijwaartse speling, maar niet meer dan 1/32` bij de velg aan het wiel worden waargenomen. Let er op, dat de afstelling niet te vast is.
Wanneer het nodig blijkt, dat de complete naaf uit elkaar genomen wordt, handelt men, als wanneer bijgesteld wordt, maar verwijdert ook de conussluitmoer aan de linkerzijde (die ook de rem vasthoudt) en de contramoer van de remtrommel.

terug naar Inhoudsopgave

31.5. Uitnemen der wielen (350, 750 cc)

De wielen moeten worden afgenomen, wanneer het nodig blijkt, de lagers te inspecteren of af te stellen, voor bandennverwisselen enz. Hoewel in sommige gevallen mogelijk is, kleine bandenreparaties, als het plakken van een binnenband, zonder uitnemen van het wiel te verrichten, is het beter de wielen voor alle bandenreparatie te demonteren.
Om het voorwiel uit te nemen, zet men het voorste deel van de machine omhoog door middel van voorstandaard of van een blok. Dan maakt men de remkabel los, neemt de remschommelbout aan de vorkzijde uit en demonteert de as. Ter demontage van het achterwiel (350 cc, 750 cc type 1934) wordt het motorrijwiel op den achterstandaard geplaatst, de achterketting losgemaakt, de rem armbout uitgenomen, de moer van de remstang uitgedraaid, het achterstuk van het achterspatscherm losgemaakt en omhoog geplaatst, waarna de as moeren en -ringen verwijderd worden.

terug naar Inhoudsopgave

32. Electrische installatie (750, 1000, 1200, 1300 cc)

32.1. Nazien of vervanging van dynamo borstels

Verwijder de twee schroeven in het dynamo deksel en neem het deksel af, waardoor de collector en borstels zichtbaar worden. Om de borstels te kunnen demonteren, worden de borstelveerhouders losgemaakt. Om den veerhouder van den kleinen borstel te kunnen losmaken, drukt men deze eenvoudig naar beneden en buitenwaarts. Bij de veerhouders van den groten borstel moet een schroef uitgedraaid worden. De borstels zijn versleten en behoeven vernieuwing, wanneer de langste zijde van de borstel 3/8" of minder meet. Stel de borstels zodanig, dat de holle oppervlakte zuiver op de collector segmenten draagt.

terug naar Inhoudsopgave

32.2. Onderhoud accu

De zorg, aan een accu besteed is, meer dan de tijd, dat hij in gebruik is en het aantal afgelegde km beslissend voor zijn levensduur (red.: zo was de originele zin). Verwaarloos den accu dus niet.
1. Kijk den accu alke week na. Voeg gedistilleerd water bij, zo vaak dit nodig is, om de oplossing boven de platen te houden. Zie het hierna volgende gedeelte.
2. Neem den accu uit den motor en laat dezen bij een laadstation laden, wanneer de zuurweger aanwijst, dat dit nodig is. Het gedurende enige tijd in ongeladen toestand laten van een accu verkort den levensduur van dit onderdeel.
Het is speciaal van belang, dat men den accu goed geladen houdt bij vriezend weer, daar een niet goed geladen of ongeladen accu gemakkelijk bevriest en aldus verwoest wordt.
3. Houd den accu schoon en de aansluitingen goed vast. Doe van tijd tot tijd een paar druppels olie op de vilten ring van de polen en houd deze van olie doortrokken.

-  Toevoeging van gedestilleerd water in de accu
Hierbij moet het motorrijwiel op een vlakken bodem staan en mag het niet op den jiffystand leunen. Draai de vleugelmoeren uit en neem het deksel en het rubber matje af. Draai de drie ingeschroefde vulstoppen uit en voeg met een zuurweger voldoende water toe in elke cel, zodat de oplossing ongeveer 6/16" boven de platen en separatoren komt.
Waarschuwing. Indien er meer water toegevoegd wordt, komt een gedeelte van een oplossing, wanneer de accu geladen wordt door de luchtgaatjes naar buiten, hetgeen niet slechts op oplossing verzwakt, maar ook de omringende delen beschadigt.

- De normalen laadstroom-spanning voor de accu is 2 Amp.
Wanneer de accu bij een laadstation wordt opgeladen, is de laadstroom constant. Hij mag niet hoger zijn dan 2 Amp. Een hogere laad intensiteit heeft verhitting en beschadiging van den accu tot gevolg, Daarom mag Uw accu onder geen beding in serie met automobiel accu's worden geladen, met hogen laadstroom.

terug naar Inhoudsopgave

32.3. Laad intensiteit van de dynamo

Bij de standaard fabrieksafstellingen heeft de dynamo (met gewone uitrusting en lichten aan) een maximum laadintensiteit van ongeveer 4 Amp. Dit moet voldoende zijn, om bij normalen dienst den accu in goed geladen conditie te houden. Bij normalen snelheden is de laad intensiteit ongeveer gelijk, wanneer de lichtschakelaar hetzij op ON of  op OFF staat, omdat, wanneer de schakelaar op ON geplaatst wordt, de dynamo productie genoegzaam wordt opgevoerd om te kunnen zorgen voor de standaard verlichting. De laadintensiteit kan hoger of lager gesteld worden als dit verlangd wordt in verband met anders dan normalen dienst, maar men denke er wel aan, dat een hoger dan normalen laadintensiteit kan leiden tot overbelasting, oververhitting van en schade aan de accu.
Wanneer het nodig mocht blijken de laadintensiteit te wijzigen, ga men als volgt te werk. Verwijder het dynamo deksel en draai de schroeven los, die de houder van de (kleinen) regelingsborstel aan de dynamo bevestigd houden. Verschuif den regelingsborstel naar rechts om de laadintensiteit te verhogen, naar links om ze te verminderen. Verschuif de borstel telkens slechts een weinig tot de gewenste maximum laadintensiteit is verkregen.
Dynamo afstelling late men bij voorkeur bij een Harley-Davidson agent verrichten.

terug naar Inhoudsopgave

32.4. Smering van het collector lager

Twee- of driemaal per jaar verwijdert men het dynamo deksel en smeert dit lager met een paar druppels motorolie door het gat in het deksel van het lager. Eenmaal per jaar verwijdert men het lagerdeksel en smeert het lager met een prima soort vet. Smeer dit lager niet te overvloedig, omdat het teveel aan olie of vet zich uit het lager zal werken en terecht komen op de collector en borstels.

terug naar Inhoudsopgave

32.5. Afstelling van de koplamp

Wil men verzekerd zijn van het grootst mogelijke lichteffect van de lamp en niet met de wet in conflict komen, dan stelle men de koplamp als volgt af (afstelling moet worden verricht bij donker of in een donker gemaakte ruimte).
Plaats de machine op een vlakken bodem, ongeveer 7.50 meter verwijderd van en recht tegenover een muur of ander rechtopstaand vlak, waarop een horizontalen lijn is getrokken op precies dezelfde hoogte als het midden van de lamp. Het motorrijwiel moet op beide wielen rusten en het voorwiel moet recht staan. Schakel het licht aan (duimschakelaar in den stand voor groot licht!) en controleer de lichtstraal op hoogte en richting. De bovenkant van het grote licht mag niet hoger op den muur schijnen dan bovengenoemde horizontalen lijn. Na losdraaien van de klemmoer onder den lamphaak kan de lamp op en neer bewogen worden, om de lichtstraal zuiver op de horizontalen lijn te krijgen en kan tevens de lamp links of rechts gedraaid worden, om de gewenste verspreiding van het licht te krijgen.

terug naar Inhoudsopgave

32.6. Schakelschema 

1. Alleen inwendige verbinding: Rode draad van accu en zwarte draad van no. 5.

2. Alleen uitwendige verbinding: Rode draden met gele bies, een van de lichtschakelaar op het stuur en een van de koplamp

3. Alleen uitwendige verbinding: Zwarte draden met rode bies een van de lichtschakelaar op het stuur en een van de koplamp.

4. Alleen uitwendige verbinding: Groene draad van claxon en zwarte draad van claxondrukker op het stuur.

5. Uitwendige verbinding: Zwarte draad van no. 1

6. Uitwendige verbinding: Rode draad met zwarte bies van de lichtschakelaar op het stuur.
    Inwendige verbinding: Gele draad van dynamo draadklem gemerkt 'switch'.

7. Uitwendige verbinding: Verbindingspunt voor extra uitrusting (speedometer lampje, spotlight, enz.)
    Inwendige verbinding: Zwarte draad van achterlampje. 

8. Alleen inwendige verbinding: Groen draad van inductieklos.

terug naar Inhoudsopgave

terug naar Inhoudsopgave

33. Het demonteren van de zadelpen

Nadat het zadel omhoog geklapt te hebben, verwijdert men de klemmoer (5) (Afb. 38) welke zich bevindt onderaan het frame, aan de onderkant van het zadel penhuis.De complete zadelpen kan dan worden uitgetrokken. Wanneer zij weder gemonteerd wordt, lette men er op, dat de platte zijde van moer (4) precies past in het gat met platten kant onderin de buis. De kussenveren (drie onderste veren) van een standaard zadelpen, vormen tezamen een lengte van 29 cm. Bij deze afstelling heeft de doorsnee rijder het maximum rijcomfort. Voor zwaarder of lichter gewicht kan de afstelling gewijzigd worden. Eveneens kunt U bij Uw handelaar andere veren bekomen, wanneer U deze nodig hebt.

terug naar Inhoudsopgave

34. Stuur en bedieningsorganen

Eenmaal per jaar moeten de handgreep spiralen van het stuur gedemonteerd worden en opnieuw ingevet worden en de balhoofdlagers van nieuw vet voorzien.
Smeer regelmatig de verbindingen der commando organen (frictie, versnellingen, rem) vooral nadat het motorrijwiel een wassing heeft ondergaan of in regen gereden heeft, teneinde te zorgen, dat alles vlot werkt.
Smeer de manette en kabel van de handrem vaak, alsook de draden van gas- en ontstekingsregeling (aan het eind der kabel).

terug naar Inhoudsopgave

35. Smeersysteem 1000 cc model 

Zie ook schema, Afb. 39
Vul het oliereservoir tot op ongeveer 2 1/2 cm vanaf de bovenkant. Vul niet verder, daar de tank enige luchtruimte moet hebben. De inhoud van de geheel ledige tank is ongeveer 3 3/4 liter.
Gebruik het gehele jaar door Medium Heavy. Wordt de koude van dien aard, dat de olie in de tank stremt, dan moet zij verdund worden met een weinig petroleum juist voldoende om het stremmen tegen te gaan. Doe de dop stevig op de tank, teneinde lekkage te voorkomen. De oliedrukmeter op het instrumentpaneel geeft olie circulatie aan, wanneer de motor loopt. Bij normalen druk behoeft de oliedrukmeter niet ten volle op ON te staan, om circulatie aan te geven. Indien er enige twijfel mocht zijn omtrent de normalen oliedruk, als aangeduid door den drukmeter, verdubbelt men de contrôle, door den olietankdop af te nemen en den oliestroom uit de nippel van de retourleiding binnenin de tank na te gaan. Indien, wanneer de motor met middelmatige snelheid loopt, er een tamelijke flinke stroom olie in de tank terugkeert, is de circulatie in orde. Keert er geen olie terug, dan is er een storing in de pomp, mogelijk een gebroken spie.
Het olieverbruik varieert tussen 400 en 800 km op 1 L al naar gelang van den aard van den dienst, solo of zijspan, middelmatige of grote snelheden, en de wijze, waarop de motor afgesteld wordt. Het verbruik kan verminderd worden of vermeerderd, door bijstelling van de drukregelschroef.  Na verwijdering van de regelingskap draait men de stelschroef naar binnen (rechts) om den oliedruk te vergroten en aldus het verbruik te doen toenemen - en buitenwaarts om den oliedruk te verminderen en daardoor het verbruik minder te doen worden. Gemeten vanaf het uiteinde van het regulateurhuis naar den kop van de stelschroef, waarbij men gebruik maakt van een smalle plaat, is de originele afstelling van de stelschroef 5/16 - 7/16" of een gemiddelde van 3/8". Bij afstelling draait men de schroef slechts 1/2 - 1 slag tegelijk en controleert men het resultaat van verderen dienst, teneinde vast te stellen, of verder bijstelling al dan niet noodzakelijk is.
N.B. Wanneer de druk verminderd is ter vermindering van het olieverbruik, maakt de oliedrukmeter minder beweging naar ON.
Niet meer dan 500 km na elke vulling (complete) moet de tankdop verwijderd en de olievoorraad gecontroleerd worden. Staat bij deze contrôle het oliepeil ver boven het teken 'refill' op den aan den tankdop bevestigde maat, dan moet olie toegevoegd worden. Staat het oliepeil op 'refill' dan kan ruim 1 3/4 L toegevoegd worden. Het goed op peil houden van de olie doet de olie koeler blijven en het verbruik minder worden, terwijl men dan ook niet zo vaak het oliepeil behoeft te controleren ter voorkoming van drooglopen.
Telkens na 4800 km normalen dienst moet alle gebruikte olie afgetapt en de tank met versen olie gevuld worden. Bij zeer zwaren dienst, wanneer op stoffige wegen gereden wordt of in wedstrijden, moet de tank met kortere tussenpozen afgetapt en opnieuw gevuld worden. Het is niet nodig, het krukascarter af te tappen, daar hierin zich de gebruikte olie niet ophoopt. Demonteer eenmaal per jaar de olietank en spoel deze goed door met petroleum, om alle vuil of ongerechtigheden, die zich voor of aan de zijkanten van de reservoir zeef bevinden, te verwijderen.
Wanneer de motor dienst moet doen op stoffige wegen, of in wedstrijden montere men een carburateur luchtfilter. Alle stof, dat in den motor komt, komt door den carburateur, betekent niet slechts abnormalen slijtage aan zuigerveren, zuigers en cylinders, maar zal waarschijnlijk ook algemene slijtage veroorzaken, daar het stof, dat langs de zuigers in het carter komt, wordt opgenomen door de olie en zodoende mede circuleert naar alle delen van den motor.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Mocht men van tijd tot tijd vaststellen, dat, nadat een motor een poosje geen dienst heeft gedaan, er zich een hoeveelheid olie ophoopt, hetgeen hieraan te bemerken is, dat er ongewoon veel olie uit komt uit de onderdruk, en door den kettingkast, direct na het starten, dan zit de contrôleklep niet goed vast en maakt lekkage door de pomp, terwijl de motor stil staat, mogelijk. Wanneer dit het geval is, verwijdert men de veer en den kogel van de contrôleklep en spoelt flink met petroleum langs de zetel van den kogel, ter verwijdering van vuil, of  mogelijk een draad van een stofdoek, of een haar, die in de tank is geraakt. Kijk ook, of de kogel in goede conditie verkeert.
Daar het surplus aan olie van de kleppen teruggezogen wordt in de motorbasis en wel door de stoterstang deksels door het carter vacuüm is het groot belang, dat de stoterstang deksel en de aluminium tuimelaar buizen goed afsluiten, opdat het maximum aan zuigkracht verkregen en te grote olie lekkage vermeden wordt. Elk der stoterstang deksels wordt afgesloten door drie kurken ringen, een aan elk der uiteinden en een onder de expander sleeve en veer. Vernieuw deze kurken ringen, wanneer er een meer dan geringe olie lekkage optreedt. De kurken afdichtingen van de tuimelaars achter de aluminium huizen laten normaal een zeer geringe olielekkage toe. Bij aanzienlijke lekkage moeten de kurken worden vernieuwd.
De kettingsmeerderstelschroef regelt de hoeveelheid olie welke de pomp brengt in de onderdruk gang, om op de ketting te worden geblazen. Voor overvloediger kettingsmering dunne ringen onder den kop van de stelschroef toevoegen, voor minder olie ringen verwijderen. Oorspronkelijke afstelling is 1 dikke ring (0.062) en een gemiddelde van 8 dunne ringen (0.002).

terug naar Inhoudsopgave

36. Smeersysteem 750, 1200 en 1300 cc model

Zie schema, Afb. 40.
De tank is vol, wanneer zij gevuld is tot op ongeveer 2 1/2 cm vanaf den bovenkant. Vul niet hoger, daar er enige luchtruimte moet blijven. Draai den dop stevig aan, om lekkage te voorkomen. De inhoud van de geheel ledige tank is voor de 1200 en 1300 cc modellen pl.m. 3 3/4 L, voor de 750 cc machines pl.m. 3 L. Gebruik Harley-Davidson 'Regular Heavy' olie in den zomer. Gebruik 'Medium Heavy' in den winter, als de temperatuur beneden het vriespunt gedaald is. Wanneer het zo hard gaat vriezen, dat de olie gaat stremmen in de tank, verdunt men de olie met een weinig petroleum, juist genoeg om het stremmen tegen te gaan. De oliedrukmeter in het dashbordje geeft olie circulatie aan, als de motor loopt. Is er enige twijfel omtrent de normale oliecirculatie, zoals dezen door den drukmeter wordt aangegeven, houd dan een extra contrôle, door de olietankdop af te nemen en de olie retour uitlaat in de tank te observeren. Indien, als de motor loopt, de olie terugkomt in de tank, wijst dit er op, dat zowel de voedingspomp als de zuiveringspomp werken en de olie circuleert (dit onderzoek echter geeft niets aan wat betreft de normalen afstelling van den drukregelaar en den druk op de motor voedingsleiding vóór de olie naar het zuiveringsbassin loopt). Indien er geen olie in de tank terugkomt, is er een defect aan een der pompen, of mogelijk een verstopte of bevroren olieleiding.          
Het olieverbruik varieert normaal van 300 en 600 km op 1 L, hetgeen afhangt van den aard van den dienst, solo of zijspan, middelmatige of grote snelheden, en de manier, waarop de motor afgesteld is. Het verbruik kan verlaagd of verhoogd worden, door bijstelling van de drukregelingsschroef.  Na verwijdering van de regelingskap draait men de schroef binnenwaarts (naar rechts) om den oliedruk te vergroten en aldus het verbruik te verhogen - en men draait de schroef buitenwaarts, om den oliedruk te verminderen en dus het verbruik te verminderen. De oorspronkelijke gemiddelde afstelling voor normalen oliedruk is negen slagen van onder af. Bij bijstelling vanaf de normalen afstelling draait men de schroef één slag tegelijk om, niet meer, om vast te stellen, of al dan niet verdere afstelling nodig is. 
N.B. Denk er aan, den schroevendraaier te steken in het ondiepe groef in den kop van de stelschroef. Steekt men de schroevendraaier in de diepe groef, dan beschadigt men den schroefkop en zal het moeilijk worden, ze te draaien. Controleer de olievoorraad niet meer dan ongeveer 450 km na elke complete vulling. Staat de olie niet heel ver boven het teken 'Refill' op de maatstang, dan voege men olie toe. Is het peil tot dit teken gedaald, dan kunnen ongeveer 2 L worden toegevoegd.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De olie is koeler en het verbruik een weinig gunstiger, als men de olie goed op peil houdt. Daarbij behoeft men dan ook zo vaak te controleren, om de kans op drooglopen te vermijden. 
Bij norrmalen dienst moet men na 4500 km alle gebruikte olie aftappen en de tank met versen olie vullen. Bij zwaren dienst of voortdurend rijden op stoffige wegen of wedstrijden moet dit spoediger geschieden. Het is niet nodig, het krukas carter af te tappen, daar de gebruikte olie zich hier niet ophoopt. 
Een maal per jaar verwijdere men de olietank en spoele deze flink om met petroleum om alle ongerechtigheden, welke zich daarin mochten hebben  opgehoopt te verwijderen. Bij dienst op stoffige wegen of op wedstrijden montere men een carburateur filter. Alle stof, dat door den carburateur in den motor komt, betekent niet slechts abnormalen slijtage van zuigers, zuigerveren en cylinder, maar ook vaak algemene intijdige slijtage, daar het stof, dat door de zuiger in het carter komt, door de olie wordt opgenomen en mede circuleert langs alle delen van de motor. Mocht men van tijd tot tijd bemerken, dat in een motor, als deze een poosje stilstaat, zich een hoeveelheid  olie ophoopt, hetgeen aangeduid wordt, doordat, direct na het aanslaan een flinke hoeveelheid olie door den onderdruk naar buiten komt, dan komt dit gewoonlijk, doordat de contrôleklep niet vastzit en olielekkage door de pomp in de motor mogelijk maakt, als de motor niet loopt. Is dit het geval, dan verwijdert men de veer en de klep, alsmede den kogel en spoelt flink met benzine of petroleum rondom den zetel van de kogel ter verwijdering van alle stofdeeltjes of misschien een draad van een stofdoek of een haar, welke in de olietank geraakt is. Kijk dan ook, of de kogel nog in goede conditie is. 
De kettingsmeerder stelschroef regelt de hoeveelheid olie, welke naar den voorketting gaat. Voor meer olie dunne ringen onder de kop van de stelschroef toevoegen - voor minder olie ringen verwijderen. De oorspronkelijke afstelling is 1 dikke ring (0.062") en een gemiddelde van 7 dunne ringen (0.002"). Wanneer nieuwe pakking nodig zijn voor pompen, of distributiehuis deksel gebruike men alleen originele fabriekspakkingen, om zeker van de juiste dikte te zijn, en de ruimte en ook om er zeker van te zijn, dat alle passeergaten voor de olie ingeponst zijn. Een eigengemaakte pakking, waarin een oliegat ontbreekt, brengt storing in de olietoevoer teweeg, of brengt deze zelfs geheel in disorde.

 terug naar Inhoudsopgave

37. Afphabetische beschrijving smeerkaart (750, 1200, 1300 cc model)

Het cijfer duidt het nummer der plaatsen aan, waarop elk gedeelte in het schema te vinden is.

A. Olie voedingspomp (vaan model pomp) (3)

B. Contrôleklep, voorkomt olielekkage door de voedingspomp, wanneer de motor stilstaat.

C. Drukregelaar. Afstelling van deze klep bepaalt den druk, uitgeoefend op motor voedings-leering, alvorens het surplus aan olie direct in het distributiehuis en in het bassin van de zuiveringspomp komt. Aldus regelt de afstelling van dit deel het olieverbruik.

D. Olie zuiveringspomp (tandwielpomp) (3)

E. Carter onderdrukklep. Een klep, welke de uitlaat van het distributiecarter van den carterolie zuiveraar regelt. Zij is nauwkeurig afgesteld en sluit, als het carter onder vacuüm is, en opent, wanneer het carter onder druk is, waardoor het mogelijk is, dat lucht in het distributiehuis wordt gelaten.

F. Motor-voedings-olie-overbrenging naar vliegwiel-as. De voedingsolie gaat door een gat in het lager van het distributiehuis-deksel. De olie gaat over in het vliegwiel as en vandaar naar de krukas en het binnenste van den motor door een gat in den zijkant van de as bij het uiteinde, dat bij elke omwenteling van den motor met het gat in het lager correspondeert. Het gat in het lager is voor juiste afstelling als in het schema aangegeven (3).

G. Kettingsmeerder-stel-schroef, in den rand van het distributiehuisdeksel. De olie naar den ketting gaat door de leiding van de drukregelaar en wordt door deze schroef gereguleerd. Zie beschrijving.

H. Oliecontrôle (1).

I. Olie-ventilatie-rad op het einde, van het dynamo tandwiel. Het distributiehuis wordt geventileerd door dit deel, dat de olie bijna geheel van lucht scheidt (1).

J. Distributie-onderdruk naar buitenzijde.

terug naar Inhoudsopgave

Instructieboek Harley-Davidson Motorrijwielen 
alle modellen
(5e druk)

    
Voor de inhoud van dit boek, zie Technisch Handboek 1937

terug naar Inhoudsopgave

 

Supplement op de laatst verschenen Handleiding

S 1. Smeer regeling der kleppen en tuimelaars (1000 cc)

De olieleiding vanaf de hoofd voedingsbuis in het distributiehuisdeksel verstrekt de olie, onder druk van de hoofdbuis, aan de kleppen. Kanalen door de tuimelaar armen verdelen de olie over de klepstelen en de verschillende punten welke smering behoeven. De kopklep smering heeft een vaste regeling en kan niet worden bijgesteld voor meer of minder olie. Het surplus aan olie van de kleppensmering wordt in de motorbasis teruggezogen, door de stoterstang deksels, door vacuüm in het carter. Daarom is het zeer noodzakelijk, dat de stoterstang deksels en de tuimelaarhuizen goed afsluiten om de maximum zuigkracht te behouden en olielekkage te voorkomen. Bij weder afstelling van de stoterstang deksels, lette men er op, dat beide uiteinden der deksels goed tegen de kurken ringen zitten. Tenzij een goede afsluiting behouden wordt, zullen de klepveer deksels overstroomd worden met olie, met als gevolg een olielekkage rondom de cylinderkoppen en vuile bougies tengevolge van een teveel aan olie, dat door de klepgeleiders in de cylinders komt.
Elk stoterstang deksel is verzegeld met drie kurken ringen, een aan elk uiteinde en een onder de expander-as en veer. Vernieuw deze kurken wanneer zij ook maar de geringste beschadiging vertonen of wanneer er zich een meer dan geringe olie lekkage rondom deze vertoont.

terug naar Inhoudsopgave

S 2. Signaallampjes op het dashboardje

Het groene lampje links geeft aan, of de dynamo al dan niet laadt. Het rode lampje rechts is voor de olie circulatie.
Wanneer de schakelaar wordt omgedraaid voor het aanslaan van de motor, moeten beide lampjes aan gaan. Wanneer de motor is gestart en behoorlijk vlug stationair loopt, moeten beide lampjes uit gaan. Wanneer de motor langzaam stationair draait of in de hoogste versnelling op de weg minder dan 30 km per uur loopt, zal het dynamo signaallampje normaal aan en uit gaan, omdat bij die snelheid de productie van de dynamo zeer laag en ongestadig is.
Wanneer het dynamo signaallampje bij snelheden boven 30 km per uur niet uit gaat, laadt de dynamo of helemaal niet, of de productie is niet zoals die wezen moet en moet onmiddellijk een onderzoek ingesteld worden. Mocht het olie circulatielampje niet uit gaan bij snelheden hoger dan de motor bij stationair draaien loopt, dan is dit zeer waarschijnlijk te wijten aan: ledige olietank; olie sterk verdund, of er wordt een zeer lichte soort olie gebruikt en de pomp vormt geen normale druk; bij vriezend weder kan de olieleiding door ijs verstopt zijn, of er kan vuil in zitten. Het kan echter zijn: een draad van de schakelaar van het olie circulatielampje, welke massa maakt; een defecte schakelaar van het lampje; de oliepomp kan in slechte conditie verkeren. Let goed op de olievoorraad, en indien het lampje dan nog niet goed werkt, kijk dan in het olie reservoir, bij de uitlaat van de retourleiding, en kijk of de olie in de tank terugkeert, wanneer de motor loopt. Zo ja, dan kunt U langzaam naar Uw handelaar rijden en het smeersysteem laten nakijken of repareren naar gelang nodig. Keert de olie niet terug, dan niet verder rijden alvorens de fout hersteld is, daar anders beschadiging van de motor het gevolg zou kunnen zijn. Breng de motor onmiddellijk naar Uw handelaar, doch niet onder eigen kracht.

terug naar Inhoudsopgave

S 3. Schema van de aansluiting der draden bij de H-D motorrijwielen van 1938 af
(H-D motorrijwielen, welke in Nederland geleverd worden)

Schakelaar stuur rechterzijde rode draad met zwarte bies, verbinden met rode draad van kabel van claxon en lichtkabel (door middel van een schroefje).
Zwarte draad met rode bies van rechter schakelaar verbinden met rode draad met zwarte bies linker schakelaar (punt van bevestiging aan claxonsteun, of rubber plaat).
Rode draad met gele bies - zwarte draad met rode bies: van linker schakelaar naar koplamp.
Groene draad naar claxon.

terug naar Inhoudsopgave

 

 

 

S 4. Schakelschema 1939-1940

1. Rode draad van dynamo kabel van de draadklem op de automaat, gemerkt BAT, en rode draad van hoofdkabel van de rechter draadklem onder het zadel.
2. Groene draad van dynamo kabel van de draadklem op de dynamo, gemerkt 'switch', rode draad van claxon- en lichtkabel, en zwarte draad van de contactveer van het dashboardlampje.
3. Draadklem voor gebruik met parkeerlampen enz, onafhankelijk van de koplamp, te verbinden aan no. 2 om met de koplamp te gebruiken.
4. Zwarte draad van hoofdkabel van de achterlamp (wordt verbonden aan de linker draadklem onder het zadel).
5. Zwarte draad van no. 8.
6. Zwarte draad van dynamokabel, van de draadklem op de automaat.
7. Zwarte draad van oliedruk schakelaar no. 11.
8. Groene draad van claxon- en lichtkabel, van claxon. Groene draad van de hoofdkabel, van inductieklos. Zwarte draad (onder dashboardje) van signaallampje van de dynamo. Zwarte draad van no. 5.
9. Positieve accupool (linkerzijde van het motorrijwiel). Rode draad met zwarte bies naar rode draad van de hoofdkabel aan de rechter draadklem onder het zadel.
10. Negatieve accupool, verbind de zwarte draad van de massaklem aan de olieleiding.
11. Oliedruk schakelaar - Zwarte draad van no. 7.
12. Stoplamp schakelaar (extra uitrusting). Groene draad van draadklem op inductieklos (voor) en rode draad met zwarte bies naar achterlamp.

Zwarte draad met rode bies van het stuur te verbinden aan de grote schroef op de lamp; de rode draad met gele bies van het stuur aan de kleine schroef van de lamp.

terug naar Inhoudsopgave

S 5. Principeschema

N.B.: Het principeschemais en een uitgebreide beschrijving van de werking zijn te vinden in de Alemite-gegevens onder Techniek / 3-Borstel Dynamo.

S 6. Tandwielverhoudingen Servicar

Motortandwiel 24; Frictietandwiel 59; Tussentandwiel 16; Achterwiel tandwiel 37 tanden. Verhouding in hoogste versnelling  5.68 : 1.

terug naar Inhoudsopgave

S 7. Bandendruk (750 cc)

Solo

4.00" band

voor: 16 pounds

achter: 18 pounds

 

5.00" band

voor: 14 pounds

achter: 16 pounds

Dit is de bandendruk voor normale dienst en belasting. Voor een extra passagier of solorijden met volgehouden hoge snelheden, de bandendruk een weinig verhogen.
Voor zijspandienst de druk 2 pounds of meer per band verhogen, al naar gelang van de belasting. Voor de zijspanband is de bandendruk gelijk aan die van de achterband.

terug naar Inhoudsopgave

S 8. Bandendruk (1000, 1200 en 1300 cc)

Solo

4.00" band

voor: 18 pounds

achter: 20 pounds

 

5.00" band

voor: 14 pounds

achter: 16 pounds

Zie verder de opmerkingen bij Bandendruk (750 cc)  en Bandendruk van het Instructieboek.

terug naar Inhoudsopgave

S 9. Uit elkaar genomen koppeling (1000, 1200, 1300 cc)

5. Drukplaat frictiepen
6. Veer-compressie-ringen (2 stuks, zie onder)
7. Sluitring voor de stelmoer van de veerspanning, en voor de naafmoer.
8. Stelmoer voor de veerspanning.
9. Koppelingsnaafmoer (linkse draad).
10. Buitenplaat met veren.
11. Veerplaat.
12. Verende plaat voor soepel inschakelen van de frictie.
13. Fiberplaat.
14. Stalen platen (twee).
15. Beklede frictieplaten (twee).

N.B. Veer-compressie-ringen no. 6 worden niet bij het gereedschap geleverd, maar kunnen desgewenst geleverd worden. Het is niet absoluut noodzakelijk ze te hebben, maar met behulp ervan kunnen de veertjes samengedrukt worden en de spanning op de veerplaat opgeheven, wanneer moer 8 wordt bijgesteld of moer 9 weggenomen wordt. Indien zij niet voor handen zijn, wanneer men, als te zien op bovenstaande afbeelding, de koppeling uit elkaar neemt, draait men de moeren op 2 tapeinden alvorens moer 9 uit te draaien. Hierdoor worden de veren bijeengehouden.

 

 

terug naar Inhoudsopgave